Vervolg deel II:


De kinderen van Willem van Broeckhuysen en Agnes

Binnen de familie behoorde Willem van Broeckhuysen in 1396 tot een van de scheidslieden toen Seger van Broeckhuysen, heer van Ooijen, met zijn kinderen een erfdeling maakte. Ook was Willem scheidsman bij de verdeling van de erfenis van Dirk van der Donck in 1397.

In 1407 leende de Heer van Broekhuizen als geldschieter 3.000 rijnse guldens aan Frederik van Wevelinghoven, waarbij Willem tevens pandheer werd van dat 'hues slot ende borgh ter Grebben' met de halve heerlijkheden van Grubbenvorst en Velden. Wellicht liep hij met de gedachte rond dat hij uiteindelijk de pandgoederen voor een prikje kon opkopen. Maar omdat ze de halve tol van Grebben niet had verpand, beschikte de familie Van Wevelinghoven over voldoende inkomsten om het pand te zijner tijd weer in te lossen. Op 17 maart 1412 verpandde de hertog van Gelder aan Willem een jaarlijkse erfpacht ter waarde van 75 alde schilden uit zijn aandeel in de Gruit te Venlo.

Als erfdochter van Waardenburg zou Agnes na de dood van haar vader huis en heerlijkheid van Waardenburg erven, ware het niet dat haar vader daarover andere gedachten had. Op 15 augustus 1397 verkreeg Gerrit, heer van Waardenburg, van Willem, hertog van Gelder, toestemming om na zijn dood zowel huis als heerlijkheid Waardenburg aan zijn kleinzoon, Johan van Broeckhuysen, na te laten. Deze akte wordt in de Waardenburgse Kroniek gezien als “heren Gherits testament”. Er was echter een voorwaarde aan verbonden, namelijk dat Johan van Broeckhuysen “den naem ende wapen van Weerdenberg behalden ende vueren sal”. Uitgezonderd was het vruchtgebruiksrecht, dat zijn grootmoeder Henrica van Culemborg ewentueel kon laten gelden. Van vaderszijde kon de jongeling als eerstgeborene aanspraak maken op de heerlijkheid Broekhuizen, omdat dit oud familiebezit van de Van Broeckhuysens was. Johan zou normaal gesproken het familiewapen Van Broeckhuysen voeren, namelijk dat met de hermelijnstaartjes in het schildhoofd. Omdat hij echter de heerlijke rechten van Waardenburg zou erven onder de conditie, dat Johan zowel het wapen als de achternaam van zijn grootvader Gerard van Waardenburg aannam, ontstond het probleem welk wapen hij precies kon voeren. Geheel in de lijn van de middeleeuwse heraldische regels ging Johan naar aanleiding van de oorkonde uit 1397 een alliantiewapen voeren met daarin zowel het Broeckhuysense als het Waardenburgse wapen, zoals te zien is aan een zegel, hangend aan een oorkonde uit 1423.

Op 7 januari 1401 verkreeg Johan van Broeckhuysen, heer van Waardenburg, van Willem, hertog van Gelder, alle goederen die zijn grootvader hem bij testament in 1397 had nagelaten tot Zutphense rechten in leen.69 Vervolgens werd Johans moeder, Agnes van Weerdenbergh, op 17 januari 1401 door de hertog nog eens met dezelfde goederen beleend. Hierdoor kwam het feitelijke beheer van Waardenburg in handen van Johans ouders, evenals de tienden van Waardenburg, waarover met het kapittel van Sint Jan te Utrecht in 1407 kwestie was ontstaan wegens achterstallige betaling van een pachtsom. Sedert de dertiende eeuw hadden de heren van Waardenburg deze tienden gepacht van het genoemde Utrechtse kapittel.

Willem, heer van Broekhuizen moet v66r 22 juli 1415 zijn gestorven, want op die dag kwamen zijn erfgenamen bijeen om over te gaan tot een definitieve regeling vanwege de aanzienlijke erfenis. De delingsakte uit 1415 laat precies zien welke rechten en goederen, zowel leengoederen als allodiale goederen, de heer van Broekhuizen destijds bezat. Naast de hoge heerlijkheid van Broekhuizen had hij de beschikking over diverse graan- en cijnsrechten, alsmede over het veerrecht over de Maas en het recht van voordracht van een geschikte kandidaat als pastoor in Broekhuizenvorst. Eveneens bezat hij goederen in pand waarvan de tol te Venlo en het kasteel Grebben met de daarbij behorende halve heerlijkheid van Grubbenvorst de belangrijkste waren.

Het huwelijk van Willem, heer van Broekhuizen en Agnes van Waardenburg was zeer kinderrijk, namelijk zes zonen en drie dochters. Vanwege het overzicht beperken we ons tot de zegelbeschrijving met enkele bijzonderheden.


Ondanks het feit dat de oudste zoon Jan heette, waarover later meer, werd ook nog een jongere zoon Johan genoemd. In 1405 kreeg de jongste van de twee de heerlijkheid Loo en Ingher Walacken (Wallach), waarmee we hem steeds kunnen herkennen. Uit alles blijkt dat deze Johan 'de jongste' een kleurrijk figuur was, wiens leven aanvankelijk getekend moet zijn geweest door oorlogen en vetes. Hij beantwoordt aan het misschien te romantische beeld dat wij van een middeleeuws ridder hebben. Hij was niet alleen gevreesd door de bewoners van naburige streken, een vechtjas, wreed en vroom tegelijk, maar ook bij eigen landslieden vanwege plunderingen en afpersingen blijkens bewaarde processtukken met de hertog van Gelder en de graaf van Moers. Johan van Broeckhuysen, heer van Loo, voerde een zegel met in het schildhoofd 4:3 hermelijnstaartjes en een barensteel met drie hangers; schildhouders waren rechts een vrouw en links een klimmende leeuw; het randschrift luidde: S' IAN VAN BRUCHUSEN. Zijn echtgenote, Anna van der Straten, met wie hij omstreeks 1430 getrouwd was76, beschikte over een alliantiezegel waarvan twee verschillende exemplaren bestonden. Het ene komen we tot 1463 tegen, en het andere voerde Anna tot haar dood in 1468. Rechts stond het wapen van haar man en links het familiewapen van de familie Van der Straten, namelijk een vis.

Na het overlijden van Willem, heer van Broekhuizen, in 1415 waren de heerlijkheden Spraland, Oostrum, Oirlo en Geysteren met de bijbehorende kastelen Geysteren en Spraland alsmede het ambt van erftofmeester toebedeeld aan Willem junior. Toen deze ook nog in 1424 het drostambt van Kessel verwierf, leek voor hem een schitterende toekomst weggelegd. Maar zijn vroegtijdig Overlijden omstreeks 1427 maakte daaraan een abrupt einde. Willem voerde een barensteel in het schildhoofd, dat beladen was met 4:3 hermelijnstaartjes. Slechts een enkele afdruk van zijn zegel is bewaard gebleven en wel van 22 juli 1415, de dag waarop de deling van de bezittingen van zijn vader plaats had.

Willems nalatenschap vererfde eerst naar zijn nog levende moeder Agnes de Cock van Waardenburg. Na de officiële belening droeg zij deze op haar beurt over aan haar zoon Johan, een jongere broer van Willem. Sedert 1429 komen we Johan in diens betiteling steevast tegen als heer van Loo en Geysteren.


Over de drie jongste zonen Hubrecht, Sweder en Alard is bekend, dat Hubrecht in 1405 huwde met Mechtelt van Brempt. In 1422 voerde hij in het schildhoofd 4:3 hermelijnstaartjes en in het rechter vrijkwartier de letter h. Een uitvoerige behandeling van de tak Hubrecht komt later aan de orde evenals de tak van Sweder. We troffen in het archief van de Burg Gemünden zu Hunsrück een oorkonde aan, die de bevestiging gaf van Sweders gesloten huwelijk in 1410 met Helwich van Betgenhusen. Als huwelijksgeschenk kreeg zij van haar ouders de hof De Triest gelegen onder Vlodrop. Volgens een zegelafdruk uit 1436 voerde Sweder in het schildhoofd 4:3 hermelijnstaartjes. Zijn echtgenote Helwich beschikte over een zegel, dat eveneens een aantal hermelijnstaartjes in het schildhoofd had. Toch waren beide wapens niet gelijk, want het veld was bij de familie Van Broeckhuysen groen, terwijl dat bij de familie Van Betgenhusen goudkleurig was.

Alard van Broeckhuysen, de jongste zoon, was in 1415 nog minderjarig. Uit de erfenis van zijn vader erfde Alard een geldsom, die daarna werd belegd, Veel is over Alard niet bekend, maar hij moet voor 10 december 1451 zijn overleden, want bij de boedelscheiding van Johan van Broeckhuysen, heer van Loo en Geysteren, was Alards echtgenote, Maria van Darth/Dardt, als weduwe aanwezig.91 Maria van Darth beschikte in 1452 over een alliantiezegel, met links het wapen van de familie Van Broeckhuysen met ditmaal 4:3 hermelijnstaartjes en rechts het wapen van de familie Van Darth, een vis mogelijk een baars, omdat ze afkomstig zijn van de hoeve Baarsdonck. Zij voerde dit zegel nog in 1482, zodat we concluderen dat weduwe Maria van Darth pas na 1482 overleed.

Over de dochters Elisabeth, Gerarda en Henrica is bekend dat de oudste, Elisabeth, reeds v66r 6 november 1448 als abdis van het klooster Graefenthal voorkomt. Zij beschikte over een typisch kloosterzegel dat een ovale vorm had. Het zegel van Elisabeth vertoont een vrouwspersoon met in haar rechterhand een gekeerde kromstaf en in haar linkerhand een boek. Het randschrift, dat zeer moeilijk leesbaar is, luidt: S. Elisabet va(n) Bruchusen + abbat....rie vallis comitis. Zij overleed volgens de lijst van abdissen op 8 april 1469.

Gerard(a) van Broeckhuysen trouwde in 1411 onder huwelijkse voorwaarden met Willem, eigenaar van de burcht Kessel. In 1443 beschikte zij over twee verschillende zegels. Een zegelafdruk, misschien wel van haar oudste zegelstempel, dateert van 7 januari 1443, en vertoont het zo kenmerkende zegel van de Heren van Broekhuizen, met in het schildhoofd 4:3 hermelijnstaartjes. Een paar dagen later, op 11 januari 1443, voerde Gerarda echter een alliantiewapen met daarin de familiewapens Van Broeckhuysen en Van Kessel.
Opnieuw ontdekt men een verschil in het aantal geplaatste hermelijnstaartjes, ditmaal werden er 3:2 in het schildhoofd geplaatst. Het randschrift luidt: S * GERAT * VAN * BROICKHUSEN*. Over Henrica van Broeckhuysen weten we dat zij in 1418 trouwde onder huwelijksvoorwaarden met Godart van Harff, landdrost van Gulik. Ook Henrica had een zegel waarvan een afdruk uit 1451 bewaard is in het archief van het Kartuizerklooster te Keulen.

 

Johan van Broeckhuysen 1415-1442

Tussen 4 juli 1414 en 22 juli 1415 overleed Johans vader Willem, heer van Broekhuizen. Op laatstgenoemde dag kwam er een erfdeling tot stand tussen zijn kinderen en hun moeder. Opnieuw werd bevestigd, dat Johan zowel Heer van Waardenburg als van Broekhuizen werd.

Volgens de Waardenburgse kroniekschrijver was Johan van Broeckhuysen “seer groet en vet” en was hij “die sevende heer van Werdenberch, had te wive joffer Ariaen, heer Steeskens oudste erfdochter van Brakel ende had hiermede die borch ende heerlicheit tot Brakel ende Willigen bi Scoenhoven”.104 Ondanks het feitelijke beheer, dat zijn moeder over de heerlijkheid Waardenburg voerde, stond de hertog op 30 augustus 1407 aan Johan toe, dat deze zijn echtgenote Adriana van Brakel een vruchtgebruiksrecht gaf. Mocht haar man Johan eerder overlijden, dan kon Adriana van Brakel als weduwe een jaarlijkse som van “200 alde gulden scilde” uit de Waardenburgse goederen tegemoet zien.

Uit het huwelijk van Johan met Adriana van Brakel zijn vier kinderen bekend, waarover in de kroniek vermeld staat: “Gerit van Werdenb(erch), Steesken van Werdenburch, joffer Henric Gosen Stecke wijf inden lande van Cleve ende joffer Agnes Frederics wijf van Rutenberch int Sticht van Utrecht, daer nae sij Johan van Bellinchoven inden lande van Cleve”. Enige toelichting is hier op zijn plaats. Steesken, ook wel Staes genoemd, erfde later de Brakelse goederen en werd de stamvader van de Brakelse linie van de familie Van Broeckhuysen. Staes van Broeckhuysen voerde hetzelfde wapen als zijn vader, zij het met één verschil, namelijk dat Staes zijn wapen moest breken. Hij plaatste een barensteel met drie hangers in het schildhoofd. In 1484 voerde Aernt, zoon van Steesken van Broeckhuysen, als heer van Brakel een alliantiewapen: enerzijds het wapen Van Broeckhuysen, ditmaal 5:4 hermelijnstaartjes en anderzijds het oude Brakelse familiewapen bestaande uit twee vissen.

Henrica van Broeckhuysen trouwde in 1435 onder huwelijksvoorwaarden met Gosen Stecke, de erfmaarschalk van het hertogdom Kleef. Haar zus Agnes van Broeckhuysen trouwde op 28 oktober 1443, eveneens onder huwelijksvoorwaarden, met Frederik van Rutenborch. Over haar tweede huwelijk met Johan van Bellinchoven is verder niets gevonden.

Johan was bovendien de natuurlijke vader van Johan van Broeckhuysen van Weerdenbergh. Deze voerde op 8 april 1442 het volle wapen van zijn vader met daarover heen de schuinbalk, ook staak, streep of bastaardbalk geheten.

Johan van Broeckhuysen en Adriana van Brakel beschikten over een enorme hoeveelheid goederen, waarvan de jaarlijkse inkomsten werden geschat op circa 2.000 oude schilden. Naast de geërfde goederen kocht hij op 25 april 1424 kasteel en heerlijkheid Ammerzoden van Willem, heer van Wachtendonck. 112 Adriana beschikte als erfdochter over het huis en heerlijkheid Brakel.

Johan van Broeckhuysen is tussen 25 maart 1441 en 12 mei 1442 overleden, zijn echtgenote Adriana van Brakel komen we na 1441 niet meer in geschreven stukken tegen.


Gerard van Broeckhuysen 1442-1444
Gerard van Broeckhuysen was de achtste Heer van Waardenburg en wordt omschreven als een “bruijn middelber man”. Zijn vader Johan sloot op 6 april 1434 een contract in verband met de huwelijkse voorwaarden tussen zijn zoon met vrouwe Walraven van Brederode. Haar broer Reynalt, heer van Brederode, Gennep en Vianen, voerde de onderhandelingen over dit huwelijkscontract. De bruidschat bestond uit een behoorlijke geldsom van 1.100 “Bourgondische Philips scilde”, de heerlijkheid Sevenhoven en 52 morgen land gelegen onder Lexmond. De bruidegom bracht in het huwelijk een jaarlijkse rente van 250 schilden met de erfelijke aanspraken op de heerlijkheden en huizen Broekhuizen, Ammerzoden en Waardenburg. Bovendien kreeg hij van zijn vader de vergoeding van dienstbodes voor de duur van drie jaar, te weten een 'joffer en een kemerlinck'.

Op 12 mei 1442 voerde hij hetzelfde wapen als zijn vader Johan maar met één verschil: een barensteel met drie hangers in het schildhoofd. Na de dood van Johan van Broekhuizen werd Gerard op 7 juli 1442 met de erfgoederen beleend. 117 Natuurlijk gaf dit aanleiding tot verandering van zegel. Het eerste exemplaar van het nieuwe zegel dat we gevonden hebben, is gedateerd op 1 november 1443. Gerard voerde ditmaal het volledige wapen zonder de barensteel.

In 1444 raakte de hertog van Gelder in oorlog met zijn buurman, de hertog van Gulik. Op Sint Hubertusdag van dat jaar werd bij Linnich slag geleverd. De Gelderse legermacht werd door de Gulikers verpletterd. De overwinning was zo groot, dat de Gulikers uit dank een ridderorde stichtten met de naam 'St. Hubertus'. Tot de gesneuvelden aan Gelderse zijde behoorde Gerard van Broeckhuysen. Hij werd in Erkelenz begraven.

Gerard van Broeckhuysen en Walraven van Brederode hadden vijf zonen te weten: Johan, Walraven, Reyner, Willem en Adriaan. Volgens de eerder aangehaalde Waardenburgse Kroniek hadden ze ook nog een dochter, waarover verder niets gevonden is. De lotgevallen van de drie oudste kinderen komen hierna nog aan de orde. De twee jongsten, kinderen Willem en Adriaan, kozen een geestelijke loopbaan en blijven dus ongehuwd. Willem werd kanunnik van het kapittel Ten Dom te Utrecht. Adriaan werd op 6 mei 1462 ingeschreven bij de universiteit van Leuven. In 1486 komt hij voor als kanunnik van Oud Munster te Utrecht.

Johan van Broeckhuysen 1445-1468

Johan was hooguit een jaar of tien, toen hij op 29 november 1445 werd beleend met de erfenis van vaderszijde te weten de huizen en heerlijkheden Broekhuizen, Ammerzoden en Waardenburg. Hoe en door wie zijn bezittingen werden beheerd, is onduidelijk. Zijn oudoom, Johan van Broeckhuysen, heer van Loo en Geysteren, die in het Overkwartier woonde, zal hem wellicht hebben bijgestaan in het beheer van de heerlijkheid Broekhuizen.

Johan wordt omschreven als “een klein man van ghewas”. Een van de eerste zegels die we van hem tegenkomen dateert uit 1449. Hij voerde toen precies hetzelfde wapen als zijn vader. In het jubeljaar 1450 vertrok zijn oudoom op “pelgrimaedse tot Ihrlm (Jerusalem) ende voirt na Sunte Katharine-klooster”. Hij stierf onderweg in de Sinaï-woestijn. Hij liet aan zijn 17-jarige neef Johan in 1451 het erfhofmeestersambt van Gelder na. Voordat oudoom Johan naar het Heilige Land vertrok, maakte hij in 1450 zijn testament. In zijn testament legde Johan de grondslag voor het bouwen van een klooster, dat bekend staat als het klooster Bethlehem te Oostrum. De weldoener schonk onder andere in 1451 uit zijn bij erfenis verworven goederen 100 malder rogge uit de heerlijkheid Broekhuizen. Op 7 maart 1461 verklaarden de richter en de schepenen van Broekhuizen, dat Johan heer van Broekhuizen, deze 100 malder rogge aan de beheerders van het klooster had overgedragen. Zij dienden geleverd te worden uit de hof Ten Eyken gelegen in het dorp, uit de hof Then Haeve gelegen voor het kasteel en andere erftijnsgoederen. Toch blijken nadien over deze 100 malder rogge moeilijkheden te zijn ontstaan. De zaak sleepte zich voort tot 25 april 1500. De toenmalige heer van Broekhuizen, Steven van Zuylen van Nijevelt wist het aantal malders terug te brengen tot 40, waarvan tien malder geleverd zouden gaan worden uit de Broekhuizer tienden en 30 malder uit de korenmolen. De jaarrente was aflosbaar met 500 Rijnse guldens.
Of Johan, heer van Broekhuizen, een sterk figuur was staat ter discussie. In 1457 raakte hij bij een scheiding en deling zowel slot als heerlijkheid Arnmerzoden kwijt aan zijn broer Walraven voor een som van 1.000 Rijnse guldens. Een paar dagen later verklaarde Walraven, dat hij door zijn oudste broer Johan met dat slot en de heerlijkheid Ammerzoden was beleend. Er was dus een leenverhouding ontstaan tussen enerzijds de heer van Waardenburg als leenheer en anderzijds de heer van Ammerzoden als leenman. Deze verhouding heeft mogelijk tot omstreeks 1470 geduurd, want op I oktober van dat jaar werd Walraven door de hertog van Gelder met de Ammerzodense goederen beleend. Walraven moet vóór 16 oktober 1476 getrouwd zijn met Elsbe Slousen. Zij kreeg op die dag een vruchtgebruiksrecht ter waarde van twee honderd Rijnse guldens bevestigd. Het huwelijk bleef kinderloos en na het overlijden van Elsbe Slousen hertrouwde Walraven in 1486 met Cunera, dochter van Ott van Bijlandt. In 1486 voerde Walraven een zegel, dat exact dezelfde elementen bevatte als het zegel van zijn vader. Hij moet tussen 1486 en 1491 zijn overleden, want Cunera van Bijlandt komt op 6 januari 1491 voor als weduwe van Walraven van Broeckhuysen. Dit huwelijk bleef eveneens kinderloos, zodat Ammerzoden uiteindelijk vererfde naar Gerrit, de latere heer van Waardenburg, een neef van Walraven, die in 1492 met de erfenis werd beleend.

Keren we na deze uitweiding terug naar Walravens broer Johan, heer van Broekhuizen. Nadat laatstgenoemde in 1457 Ammerzoden aan zijn broer kwijt was geraakt, beschikte hij over Broekhuizen, Waardenburg en het erfhofmeesterambt van het hertogdom Gelder. Johan trouwde met Elisabeth, dochter van Walraven van Haeften. Ze kregen twee kinderen: een dochter Walraven en een zoon, die naar zijn grootvader Gerrit (Gerard) werd genoemd. De kroniekschrijver van Waardenburg vertelt nog, dat Gerrit een baby was van bijna een half jaar oud, toen zijn vader op 15 oktober 1468 's nachts om twee uur aan de pokken bezweek. De weduwe Elisabeth van Haeften hertrouwde v66r 24 november 1480 met Gerrit van Vlodrop, stammend uit de bekende Roermondse erfvoogdenfamilie.

Ruim drie jaar voor zijn dood stond Johan van Broeckhuysen in 1465 zijn rechten over zowel het kasteel als de heerlijkheid Broekhuizen af aan zijn jongere broer Reyníer. Mogelijk heeft de afstand tussen de heerlijkheden Broekhuizen en Waardenburg daartoe bijgedragen. Hoe dit precies in zijn werk is gegaan, is nog onduidelijk. Er is namelijk geen verkoopakte bekend. Hij raakte door deze handelwijze een aanzienlijke bron van inkomsten kwijt. Broekhuizen behoorde tot de erfgoederen en was de bakermat van de familie. Uiteraard was dit een directe aanleiding tot het veranderen van het wapen. Als heren van Waardenburg en Broekhuizen voerde deze familietak een alliantiewapen. Doordat hij geen heer van Broekhuizen meer was, moest hij als heer van Waardenburg voldoen aan de voorwaarden die zijn bet-overgrootvader Gerard van Waardenburg in 1397 gesteld had. Johan van Broeckhuysen, heer van Waardenburg, voerde vanaf 1465 het volle wapen van de familie De Cock als heren van Waardenburg.

Na zijn dood volgde zijn enige zoon Gerard hem in 1470 als heer van Waardenburg op. Deze was nog erg jong, zodat zijn oom Walraven van Broeckhuysen, heer van Ammerzoden, als voogd optrad. Hij liet zich namens zijn neef op 1 oktober 1470 met Waardenburg belenen. Tien jaar later, op 24 november 1480 toen Gerard meerderjarig was, werd hij zelf beleend. In de periode 1470-1494 dat Gerard heer van Waardenburg was, komen we twee verschillende zegels tegen. Het eerste zegel, daterend van 21 januari 1485, is sober en geeft het Waardenburgse wapen weer. Het tweede zegel van 19 mei 1491 is veel fraaier door de versiersels: een helm met kroon en een pauw als helmteken. Gerard bleef ongehuwd en moet tussen I juni 1491 en I september 1495 zijn overleden.

Zijn enige zus Walraven, mogelijk ook Walravina genoemd, trouwde in 1481 onder huwelijksvoorwaarden met Ott van Arkel, heer van Heukelom. Zij volgde haar broer in 1495 als vrouwe van Waardenburg en Ammerzoden op. Zij voerde eveneens een alliantie-wapen, met daarin rechts het Waardenburgse wapen en links het Arkelse familiewapen bestaande uit twee rode, beurtelings gekanteelde dwarsbalken op een veld van metaal. Een van hun kleindochters, Elburga van Boetzelaer-Langerak, was abdis van Rijnsburg en zij schonk aan de Sint-Janskerk te Gouda een fraai glas-in-loodraam. In tegenstelling tot het gevoerde Waardenburgse wapen, dat zij had moeten voeren, werd in dit venster het oude alliantiewapen Van Broeckhuysen en Van Waardenburg geplaatst.

Reynier van Broeckhuysen 1465-1496

De nieuwe Heer van Broekhuizen, Reinoud en zich later Reyn(i)er noemende, liet vanaf 1465 naam en wapen van Waardenburg voor wat die waren en voerde als heer van Broekhuizen het originele familiewapen, dat overeenkomt met het wapen van zijn overgrootvader Willem, heer van Broekhuizen. Bij de verwerving van huis en heerlijkheid Broekhuizen verloor Reyner eventuele aanspraken op de Waardenburgse goederen. Slechts door een erfenis hadden die eventueel nog behouden kunnen worden, maar de afloop is bekend.

In de zomer van 1460 werd druk onderhandeld en uiteindelijk stelde Reyner in september van dat dezelfde jaar samen met zijn vrienden een akte op, die betrekking had op de huwelijkse voorwaarden tussen hem en Ermgard, dochter van Johan van Groesbeek, heer van Heumen, Malden en Beek bij Nijmegen. Als huwelijksgift kreeg de bruid 3.000 Rijnse guldens mee. Haar vader was echter niet bij machte, deze som op te brengen en gaf zijn dochter en schoonzoon het slot Kalbeck bij Goch als onderpand. De voorwaarde die Ermgards vader stelde was, dat zijn zoon Seger het onderpand te allen tijde zou mogen inlossen. Door de familie Van Groesbeek is nadien, voor zover bekend, hiertoe geen enkele poging ondernomen, zodat kasteel Kalbeck later tot de Broeckhuysense erfgoederen ging behoren. Reyner bracht als huwelijksgoed een jaarlijkse erfrente van 150 malder rogge uit de heerlijkheid Broekhuizen in. Na de verwerving van huis en heerlijkheid Broekhuizen in 1465 kreeg Ermgard van Groesbeek van haar echtgenoot Reyner in 1467 ook hiervan het vruchtgebruikrecht.


Na het opzij schuiven van Arnold, hertog van Gelder, door diens zoon Adolf in 1465 werd het Overkwartier bedreigd door de hertog van Kleef. Deze bezette onder meer Wachtendonk en richtte diverse vernielingen aan. Adolf van Gelder besloot in 1468 hieraan een eind te maken en trok met Gelderse troepen naar het Overkwartier. Hij vernam op 22 juni 1468 dat de Kleefse benden over de landweer waren getrokken om hun steunpunt Wachtendonk van voorraden te voorzien. Adolf met zijn legermacht maakten zich de volgende dag op, om de hertog van Kleef de terugtocht te belemmeren. Voor de aanvang van de slag bij de Mariakapel in Sandt bij Straelen werden o.a. Reynier van Broeckhuysen en Johan van der Donck tot 'ridder' geslagen. De slag eindigde met een overwinning voor Gelder. Adolf vatte het plan op, om op de plaats waar de kapel stond een klooster te stichten als dank voor de overwinning. Spoedig daarna lukte het hem, met toestemming van het kapittel van Windesheim, het door Johan van Broeckhuysen, heer van Loo en Geysteren, gestichte klooster te Oostrum te verplaatsen naar Straelen. Hiervoor was echter goedkeuring van de paus nodig. De toenmalige paus Paulus II gaf deze op 5 november 1469.154 Zijn opvolger, paus Sixtus IV, bevestigde in 1483 de toestemming tot verplaatsing.

In navolging van de hertog van Gulik, die na de slag bij Linnich in 1444 en de overwinning op de Geldersen de Sint Hubertusridderorde had opgericht, stichtte Adolf, hertog van Gelder, nu ook een ridderorde en wel ter ere van Maria. Op 6 maart 1469 stuurde de hertog een brief aan de prior van het klooster in Oostrum, waarin hij de namen noemde van de eerste leden van de nieuwe orde, waaronder Reyner van Broeckhuysen. De orde is naderhand geruisloos verdwenen.

Na het overlijden van de oude hertog Arnold bleef Gelder zijn wettige hertog Adolf, die in Bourgondische gevangenschap verkeerde, trouw. Karel de Stoute viel toen met zijn leger het hertogdom Gelder binnen. Het machtige Nijmegen vormde het bolwerk van het verzet en was goed versterkt. Men had vreemd krijgsvolk gehuurd en op het Valkhof vertoefden de kinderen van Adolf, de jonge Karel en zijn zus Philippa. Reynier, heer van Broekhuizen, een ervaren krijgsman en trouw aanhanger van Adolf, was in 1473 de bevelhebber over de Gelderse strijdkrachten in Nijmegen. Hij was het, die kort tevoren het kasteel Ter Horst had ingenomen. Na drie weken hevige strijd moest Nijmegen zich overgeven aan Karel de Stoute. Na de val van deze stad onderwierp de rest van het hertogdom Gelder zich aan de Bourgondische hertog.

Reyner kwam daarna thuis op verhaal en nam in 1475 de administratie onder handen. Hij vernieuwde het Broekhuizense “Thinsboeck”, waarin diverse lijfgewinsgoederen genoemd worden, die van oorsprong uit de hof Ten Eyken stammen. Reynier vernieuwde ook het leenboek.


Uit de erfenis van Reyniers oudoom, Johan van Broeckhuysen, heer van Loo en Geysteren waren diens rechten van de vrije heerlijkheid Loo met de bijbehorende heerlijkheid Wallach vererfd naar Reyniers tante Henrica van Broeckhuysen. Zij was getrouwd met Goissen Stecke. Op 16 oktober 1451 werd Henrica van Broeckhuysen door de hertog van Kleef met de heerlijkheid Wallach beleend. Nauwelijks twee jaar later droeg Goissen Stecke op 21 november 1453 het 'Slaite Loe mit vurburcht' op als een open huis aan de hertog van Kleef. Het huwelijk tussen Henrica en Goissen bleef kinderloos. Zij moet vó6r 1457 overleden zijn, want Goissen hertrouwde in dat jaar met Carda ook wel Cordula van Gemen. Het slot Loo werd in 1464 beheerd door Lambert van Duynen, die zich in 1464 'borchseit to Loe' noemde. Na de dood van Henrica van Broeckhuysen, omstreeks 1457, behield Goissen de bezittingen van Huis Loo in vruchtgebruik, die na zijn dood zouden terugvallen naar de stam van waar het bezit vandaan kwam. Goissen Stecke beschouwde zijn in vruchtgebruik gehouden goederen als zijn eigen bezit en nam 1.300 Rijnse guldens op, waarmee de goederen werden belast. Goissen maakte in november 1474 zijn testament en moet v66r 14 februari 1475 zijn overleden. Binnen de familie Van Broeckhuysen waren er twee linies, die op deze rechten aanspraak konden maken, namelijk de Waardenburgse en de Brakelse linie. Op 25 juli 1475 verkocht Arnt van Broeckhuysen alle Brakelse aanspraken op de heerlijkheid Loo aan Reynier, heer van Broekhuizen. Daags na de aankoop stond Reyners zwager, Seger van Groesbeek, borg voor 500 Rijnse guldens. Of Reyner van Broekhuizen het huis Loo met de bijbehorende heerlijkheid Wallach werkelijk in bezit heeft gekregen blijft vooralsnog een vraag. De uitvoerders van het testament van Goissen Stecke met name Gherit van Keppel en Gherit van Raesfelt verkochten het huis Loo op 1 december 1477 voor 1.500 Rijnse guldens aan de hertog van Kleef. De hertog van Kleef loste nadien bepaalde schulden af en stelde een burggraaf op het huis Loo aan. Voorts richtte hij een drostambt Loo bij Alpen in, dat als een Kleefse enclave lag midden in het Keurkeulse gebied. Doch we mogen aannemen dat Reynier van Broeckhuysen schadeloos werd gesteld.

Reynier kon gewoon niet stilzitten en bij familie van moederskant, te weten de heren Van Brederode in het land van Vianen, verkreeg hij de functie van 'ruwaard' (drost, ook wel ambtman genoemd). Op 3 april 1480 werd hij echter met zachte hand en de afkoopsom van 4.000 Rijnse gulden uit dit ambt ontzet.

Reyner bleef in de ogen van Bourgondië een lastige rebel. Hij deelde zo nu en dan wat speldeprikken uit in de richting van de Bourgondische overheerser. In januari 1481 nam hij de stad Leiden in en hield deze enige tijd bezet. Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië gelastten de gecommitteerden over te gaan tot confiscatie van Reyniers bezittingen in Goch, met name het huis Kalbeck. Het maakte echter geen indruk op de hertog van Kleef en evenmin op Reynier, want op 26 november 1482 werd hij door de hertog van Kleef weer keurig met het voornoemde huis beleend. Reynier bleek anderzijds ook in staat te zijn tot vrome daden. In 1484 richtte hij een verzoek aan Jan van Horn, bisschop van Luik, om de Broekhuizense kapel van Onze Lieve Vrouw, St. Nicolaas en St. Antonius Abt af te splitsen van de moederkerk te Broekhuizenvorst en over te gaan tot het oprichten van een “ecclesia parochialis” te Broekhuizen. Op 28 juli 1484 werd het verzoek door de bisschop ingewilligd.
Karel van Egmond, de zoon van hertog Adolf van Gelder, raakte in 1487 in de slag bij Béthune in Franse gevangenschap. De Franse koning was alleen genegen Karel van Egmond tegen betaling van een losgeld van 200.000 guldens, later 80.000, vrij te laten. In 1491 was een deel van het losgeld door de Gelderse bevolking opgebracht. Begin maart 1492 keerde Karel na circa negentien jaar afwezigheid op Gelderse bodem terug.

Bij de inhuldiging van Karel van Egmond als nieuwe hertog van Gelder dienden alle pro-Bourgondische elementen uit Gelre te verdwijnen. De trouwe Gelderse aanhangers kregen de touwtjes opnieuw in handen. Zodoende verwierf Reyner, heer van Broekhuizen, de functie van burggraaf van het Valkhof te Nijmegen. Uit hoofde van zijn functie als burggraaf moest hij aan Willem van Gelre, bastaard, op 5 september 1493 50 guldens betalen. Kort na zijn benoeming als burggraaf stelde Reyner een zekere Johan Collart van Lijnden als onderrichter aan, die voor hem als uitvoerend persoon zijn functie waar nam. Over deze onderrichter bevinden zich diverse akten in de Nijmeegse archieven. De hertog moet zich ongetwijfeld Reyners verzet tegen Karel de Stoute in 1473 hebben herinnerd.

In 1492 werd Reynier opnieuw met de Broekhuizense goederen beleend. Als afgezant van de Gelderse hertog reisde hij in augustus 1492 naar de koning van Frankrijk. Van de reis, die beslist niet zonder gevaren was, kreeg Reynier alle onkosten vergoed die hij namens de hertog zou maken. Deze bestonden in hoofdzaak uit geschenken, maar ook uit betalingen aan “heralden (herauten), parssavanten, baden en spoilluden” om de Franse koning gunstig te stemmen. Op 15 juli 1493 behoorde Reynier heer van Broekhuizen tot de medebezegelaars van de akte waarin Karel van Egmond, hertog van Gelre verklaarde geen sloten (kastelen), steden of versterkingen te verpanden of vervreemden zonder toestemming van de bannerheren en gedeputeerden van het Overkwartier. Bovendien zou niemand van de ridderschap, steden of onderzaten berecht worden dan volgens de rechten van het kwartier van Roermond op de plaats waar hij of het goed onder behoort.
Uit het huwelijk van Reynier en Ermgard van Groesbeek zijn drie dochters bekend: Walraven, Ermgard en Agnes. Ermgard trad in 1474 op jonge leeftijd in het klooster van Mariënburg, dat destijds nog net buiten de omwalling van de stad Nijmegen lag. De onderhandelingen over het huwelijk van zijn oudste dochter Walraven met Steven van Zuylen van Nijevelt, dat voor 5 mei 1490 werd gesloten, zal Reyner zeker hebben afgehandeld. Reyner moet tussen 5 september 1493 en 23 november 1496 zijn overleden.


Op 6 januari 1497 maakten zijn erfgenamen, namelijk de oudste dochter Walraven en de jongste dochter Agnes met hun moeder Ermgard van Groesbeek een deling van de nalatenschap. Deze deling kwam in feite hierop neer, dat Walraven, getrouwd met de Utrechter Steven van Zuylen van Nijevelt, het huis en de heerlijkheid Broekhuizen erfde. Door de Gelderse hertog was zij trouwens al op november 1496 beleend met het 'huyss ind die heerlicheit tot Broechuysen'. Hieruit blijkt, dat Reynier al gestorven is. Als oudste dochter werd zij met de erfgoederen beleend. Deze belening was wellicht een van punten van de huwelijkse voorwaarden tussen Walraven van Broeckhuysen en Steven van Zuylen van Nijevelt.

Haar zus Ermgard, die sinds 1474 als non in het klooster te Nijmegen was, kreeg de bevestiging van haar jaarlijkse rente van 20 malder rogge- De rente, die zij in 1487 van haar vader gekregen had en de hertog van Kleef bevestigde, zou na haar dood terugvallen naar bezitters van het Huis Kalbeck.

Agnes, de jongste dochter, erfde alle bezittingen van het slot Kalbeck. Zij trouwde voor 27 juli 1498 met Johan, heer van Voorst en Keppel. Volgens de huwelijkse voorwaarden gingen zij ermee accoord, dat haar moeder, Ermgard van Groesbeek, een stuk uit het leengoed van Kalbeck, namelijk dat 'water to Huddenray' gelegen bij Schravelen mocht verkopen of als onderpand mocht laten gelden bij een hypotheek. Uiteindelijk werd dit water, met goedkeuring van de leenheer, de hertog van Kleef, verkocht aan Wessel van Loe, heer van Schloss Wissen gelegen bij Weeze. Het huwelijk van Agnes duurde niet lang, want op 30 oktober 1501 maakte zij met haar zwager, Frederik van Voorst, een deling van de goederen van haar echtgenoot Johan van Voorst tot Keppel. Agnes hertrouwde in 1504 met Dirk van Haeften, ambtman van de Bommelerwaard. Van haar oom, Willem van Broekhuizen van Waardenberg, kanunnik van de Dom in Utrecht, erfde zij in 1512 volgens diens testament 'XII rode cussenen mit sijn wapenen beduert' en beddegoed, gordijnen en 'XI sulveren lepelen'.191 Dirk van Haeften werd zowel in 1517 als in 1523 namens zijn echtgenote door de hertog van Kleef met Slot Kalbeck beleend. Agnes overleefde ook haar tweede echtgenoot, die voor 1539 gestorven moet zijn; zij kwam in dat jaar met de erfgenamen van haar zus Walraven tot een accoord.


Zoals we al zagen werd Steven van Zuylen van Nyevelt namens zijn vrouw Walraven van Broeckhuysen in 1496 met de Broekhuizense goederen beleend. Uiteraard behield de weduwe van Reynier, Ermgard van Groesbeek, volgens de in 1460 gemaakte akte van huwelijkse voorwaarden het vruchtgebruiksrecht. Bij de deling van 6 januari 1497 kwam men overeen, dat moeder uit de heerlijkheid Broekhuizen haar leven lang, naast de 150 malder, nog eens 65 gelijke malder rogge en 65 Keulse guldens zou ontvangen. Tijdens het leven van Reynier voerde Ermgard van Groesbeek als vrouwe van Broekhuizen een alliantiewapen Groesbeek-Broeckhuysen. Na 1496 verving zij haar zegel en gebruikte ze het oorspronkelijke familiewapen van het geslacht Van Groesbeek. Wanneer Ermgard precies overleed, is niet duidelijk, maar ze was op 25 april 1500 nog in leven.


Veel is er over de periode van Walraven (1496-1507) als vrouwe van Broekhuizen niet bekend. Haar echtgenoot, Steven van Zuylen van Nijevelt, komt na de deling in januari 1497 voor als heer van Broekhuizen. In die functie beleende hij op 5 maart van dat jaar het Kartuizerklooster in Roermond met de tienden van Broekhuizenvorst, die een onderleen waren van het huis Broekhuizen.

De rechten van zowel het huis als de heerlijkheid vererfden nadien naar hun zoon Frans van Zuylen van Nyevelt. Deze werd op 23 februari 1507 door de Gelderse hertog met de Broekhuizense goederen beleend. Dit betekende het onherroepelijk einde van het geslacht Van Broeckhuysen, dat meer dan twee eeuwen heer was van de gelijknamige heerlijkheid. Walraven van Broeckhuysen was als laatste telg uit deze familie als vrouwe van Broekhuizen. Omdat Frans van Zuylen van Nijevelt nog minderjarig was, werd hij bijgestaan door zijn oom Gerrit van Zuylen van Nijevelt. In 1508 werd de jonge heer van Broekhuizen gevrijwaard van een jaarlijkse rente van 50 malder rogge uit de genoemde heerlijkheid, die zijn grootvader Reynier, heer van Broekhuizen, destijds aan zijn broer Johan van Broeckhuysen en Waardenburg had gegeven. Laatstgenoemde had deze rente doorgegeven aan zijn broer Adriaan van Broeckhuysen, kannunik van Oud Munster te Utrecht. De heerlijkheid Broekhuizen zou nadien nog slechts met een jaarlijkse rente van vrouwe Ermgard van Groesbeek belast kunnen zijn, omdat we haar overlijdensdatum niet kennen. Wat uit de oude familie Van Broeckhuysen nog overbleef was de functie van stadhouder van de Broekhuizense onderlenen, die in een bepaalde periode van de zestiende eeuw werd vervuld door Seger van Broeckhuysen, heer van Ooijen.