DE HOF TEN EYKEN te Broekhuizen
Deze zeer oude en reeds lang verdwenen boerderij was steeds verbonden aan de adellijke familie Van Broeckhuysen. Het was een Kleefs leen en de opvolgende eigenaar moest telkens een leenverheffing bij de Hertog van Kleef aanvragen; daardoor is goed bekend hoe de eigendom is verlopen in de middeleeuwen.
De eerste vermelding is in een oorkonde van 19 september 1284. Op die datum kreeg Willem van Broeckhuysen van de graaf van Kleef een som van 60 Mark, waarvoor hij zijn eigen (allodiaal) goed, de hof Ten Eyken, aan de graaf opdroeg en daarna als leengoed terug ontving. Kortom Willem van Broeckhuysen ging destijds een leenverhouding aan met de graaf van Kleef. Over de ligging van de genoemde hof wordt in de akte van 1284 niet gesproken. Pas in een leenakte uit 1368 van Johan, heer van Broekhuizen en achterkleinzoon van Willem, wordt duidelijk dat de hof Ten Eyken in de heerlijkheid Broekhuizen gelegen was. Uit de tussenliggende periode bevinden zich geen leenakten met betrekking tot de genoemde hof in de Kleefse leenregisters.
Vervolgens vererft deze Kleefse leenhof op diens zoon Willem van Broeckhuysen (vermeld 1363-1415), die voor de hele heerlijkheid Broekhuizen in 1402 echter leenheer wordt van de Hertog van Gelre. Daarna wordt diens derde zoon Johan, heer van Oostrum en Geysteren, de eigenaar. Voordat Johan van Broeckhuysen, als roofridder die boete ging doen met een pelgrimstocht, naar het Heilige Land vertrok, maakte hij in 1450 zijn testament. De weldoener schonk onder andere in 1451 uit zijn bij erfenis verworven goederen 100 malder rogge aan het door hem gestichte klooster Bethelem in Oostrum. Op 7 maart 1461 verklaarden de richter en de schepenen van Broekhuizen, dat Johan heer van Broekhuizen, deze 100 malder rogge aan de beheerders van het klooster had overgedragen. Zij dienden geleverd te worden uit de hof Ten Eyken gelegen in het dorp én uit de hof Then Haeve (Kasteelshof) gelegen voor het kasteel en andere erftijnsgoederen. Toch blijken nadien over deze 100 malder rogge moeilijkheden te zijn ontstaan. De zaak sleepte zich voort tot 25 april 1500. De toenmalige heer van Broekhuizen, Steven van Zuylen van Nijevelt, getrouwd met Walraven van Broeckhuysen, wist het aantal malders terug te brengen tot 40, waarvan tien malder geleverd zouden gaan worden uit de Broekhuizer tienden en 30 malder uit de korenmolen. De jaarrente was aflosbaar met 500 Rijnse guldens.
In 1670 wordt bij een overdracht beschreven wat allemaal bij deze heerlijkheid hoorde en staat deze Hof hier niet meer bij genoemd.
De naam geeft aan dat de hoeve bij een eik(enbos) lag. Eiken hebben veel licht nodig en groeien niet in de dichte bossen. Voorts hebben ze graag een ondergrond van zandheuvels of zandduinen. Daarom is het eveneens logisch dat deze boerderij in of vlakbij het dorp Broekhuizen heeft gelegen, dat immers op een zandrug ligt. Maar waar die dan precies lag weten we niet, maar vermoedelijk wel aan de Hoogstraat.