Door M. Flokstra

De hoofdtak Van Broeckhuysen

De Heren van Broekhuizen
In 1339 werd graaf Reinoud II van Gelder verheven tot hertog, bij welke gelegenheid de Duitse keizer vier hoffunctionarissen benoemde. Willem van Broeckhuysen, heer van Wickrath, kreeg de functie van kamerling, terwijl Jacob, heer van Meerlo, het ambt van hofmeester kreeg. Dit laatstgenoemde ambt verkocht één van zijn nazaten als heer van Meerlo in 1398 aan Willem van Broeckhuysen, heer van Broekhuizen. Beide hottuncties waren erfelijk. Diverse leden van deze uitgebreide familie waren raadsleden van de Gelderse hertogen en/of bekleedden de functie van ambtman, ook wel drost genoemd, van bijvoorbeeld het ambt Kessel, het ambt Kriekenbeck, het ambt Gelre en het ambt Goch. Het hier bestudeerde tijdvak beslaat de late middeleeuwse periode van 1228 tot 1508. Aan de hand van de genealogische stamreeks wordt de erfopvolging van de heren in de heerlijkheid Broekhuizen vastgesteld, waarbij de zegelkunde een grote rol in de bewijsvoering speelt.


Uitgangspunt voor de genealogische reconstructie van de familie Van Broeckhuysen in de dertiende eeuw vormt een aantal oorkonden uit de periode van 1228 tot 1290. In de eerste oorkonde, gedateerd 1228, komt een Seger van Broeckhuysen voor. De graaf van Gelre schonk toen aan de abdij Kamp de vrijheid van tol bij Lobith. Op 12 mei 1233 treffen we deze Seger weer aan onder de getuigen bij een overeenkomst tussen Otto graaf van Gelder en het kapittel van Emmerik.
Nadien komt een zekere Johan van Broeckhuysen als getuige voor in 1246 bij de schenking door de heer van Cuyk van het patronaatsrecht van de parochiekerk van Herten aan de Munsterabdij te Roermond. Dit was ook het geval in 1250, toen Graaf Otto bepaalde goederen, gelegen in Zoelemond in erfpacht gaf aan het klooster Mariënweerd. Zuiver op grond van de naamgeving en de chronologie zou deze Johan de vader kunnen zijn van Willem en Seger, die in geschreven stukken van circa 1268 tot 1290 voorkomen.

In de dertiende eeuw was de familie Van Broeckhuysen al vertakt in tenminste twee verschillende linies, die beide in bezit waren van heerlijke rechten in wat later het Gelders Overkwartier wordt genoemd. Zo wordt Seger van Broeckhuysen in 1271 genoemd “dominus Seger miles de Swalmen dictus de Bruchusen”. In 1272 hechtte hij zijn zegel aan een oorkonde, waarin de geschillen worden beslecht tussen Goswinus van Borne en de abt van Averbode over inkomsten van die kerk. In deze akte noemt hij zich “Sigerus miles de Swalmen’’, terwijl het randschrift van zijn zegel luidt: “Sigill(um) Sigeri de Broe(chusen) milit(is)”. Hieruit blijkt duidelijk dat de genoemde Seger de stamvader is van de linie te Swalmen uit de familie Van Broeckhuysen. Deze tak wordt apart behandeld in het eigen hoofdstuk II.     

Prof. Dr Jkvr. J.M. van Winter rekent de familie Van Broeckhuysen in haar proefschrift uit 1962 tot de Gelderse ministerialiteit. Op basis van het Gelders Oorkondenboek van Sloet meldt zij, dat een zekere Seger van Broeckhuysen in 1231 voor het eerst als getuige voorkomt en dat hij niet uitdrukkelijk als ministerialis vermeld staat. Twee jaar later behoorde Seger daarentegen tot de 'homines et ministeriales' van Gelder.
Inmiddels zijn er meer akten toegankelijk geworden, waardoor haar stelling onzeker is geworden. Mijn onderzoek is gericht op de bewijsvoering of de familie Van Broeckhuysen van oorsprong tot de Gelderse ministerialiteit behoorde. Een andere vraag is, welke sociale positie de familie Van Broeckhuysen innam ten opzichte van de andere geslachten binnen het Gelderse Overkwartier, of, meer beperkt, binnen het land van Kessel. Ondanks het langdurige onderzoek naar dat laatste kan men hierop geen genuanceerd antwoord geven. Tot nu toe is slechts de familie Van Broeckhuysen onderzocht: over de andere families in de directe omgeving. zoals de families Van Mirlaer, Van Straelen, Van Milien, Van Arendael, Van Blitterswijck, Van der Donck, Van Merwijck en andere kan dit helaas niet gezegd worden. Derhalve gaan mogelijke vergelijkingen tussen deze families op dit moment mank, en zal hierop ook niet verder worden ingegaan.

Over het dorp Broekhuizen, waaraan het geslacht zijn naam ontleende, is uit deze periode nauwelijks iets bekend. Op de plaats van de tegenwoordige kerk stond destijds een kapelletje. Pas in 1484 werd hier de parochiekerk gesticht. Evenmin is bekend, hoe groot de dorpskern in de dertiende eeuw was of wanneer er een begin werd gemaakt met de bouw van het kasteel Broekhuizen. De geschiedenis van het huis Broekhuizen begint namelijk op een ander tijdstip dan die van de gelijknamige heerlijkheid. Voor zover we momenteel weten, komt de oudste vermelding van het huis Broekhuizen voor in een akte uit het jaar 1434, terwijl de heren van Broekhuizen al in de dertiende eeuw voorkomen. Het lijkt zeer onwaarschijnlijk, dat het kasteel Broekhuizen pas rond 1434 werd gebouwd. Ook op andere plaatsen komt hetzelfde probleem voor: enerzijds de vroege vermeldingen van de locale gezaghebbers en anderzijds de late schriftelijke vermeldingen van het kasteel. Dit was bijvoorbeeld ook het geval bij Geysteren, maar uiteindelijk werd het probleem daar opgelost. Prof. dr. J.G.N. Renaud vond bij één van zijn opgravingen in 1958 namelijk de resten van een vroeg dertiende-eeuwse burcht. Bij de ruïne van Broekhuizen werden daarentegen nog geen archeologische opgravingen verricht, zodat het probleem hier nog steeds onopgelost blijft.

Over de vroege geschiedenis van de heerlijkheid Broekhuizen is betrekkelijk weinig bekend. De Gelderse leenregisters vermelden de heerlijkheid pas vanaf 1402 als een leen van de hertog van Gelder, zodat ook hieruit geen directe informatie over de oudere geschiedenis te verkrijgen is. In deze reconstructie van de familieverhoudingen van de Heren van Broekhuizen zal worden getracht meer licht te werpen op de geschiedenis van de heerlijkheid.

Maar voorzichtigheid blijft nodig! zo droegen bijvoorbeeld drie elkaar opvolgende Heren van Broekhuizen de voornaam Johan. Enkele opmerkingen in charters en de verschillende zegels met varianten van het Broekhuizense wapen — een leeg groen veld met een metalen schildhoofd, beladen met een varierend aantal hermelijnstaartjes — zorgden ervoor, dat de drie Johannen van elkaar onderscheiden konden worden.

Seger van Broeckhuysen 1228-1268
Uitgangspunt voor de genealogische reconstructie van de familie van Broeckhuysen in de dertiende eeuw vormt een aantal oorkonden uit de periode van 1228 tot 1290. In de eerste oorkonde, gedateerd 1228, komt Seger van Broeckhuysen voor. De graaf van Gelre schonk toen aan de abdij Kamp de vrijheid van tol bij Lobith. Op 12 mei 1233 treffen we deze Seger weer aan onder de getuigen bij een overeenkomst tussen Otto graaf van Gelder en het kapittel van Emmerik.

Johan van Broeckhuysen 1246-1250
Nadien komt een zekere Johan van Broeckhuysen als getuige voor in 1246 bij de schenking door de heer van Cuyk van het patronaatsrecht van de parochiekerk van Herten aan de Munsterabdij te Roermond. Dit was ook het geval in 1250, toen Graaf Otto bepaalde goederen, gelegen in Zoelemond in erfpacht gaf aan het klooster Mariënweerd. Zuiver op grond van de naamgeving en de chronologie zou deze Johan de vader kunnen zijn van Willem en Seger, die in geschreven stukken van circa 1268 tot 1290 voorkomen.

 

 

Willem van Broeckhuysen 1270-1290
In een oorkonde van 10 maart 1270 verklaart Willem, 'miles de Brughusen', dat hij tegen een vergoeding van 80 marken Keulse denariën zijn allodium te Venlo, bestaande uit een molen, een cijns, een tol op vervoer met paard en wagen (ook wel kartol genoemd) en voorts een hof te Blerick, genoemd Reiderode, in leen opdraagt aan Willem, graaf van Gulik. Willem van Broeckhuysen was op 19 april 1275 één van de scheidslieden in het geschil tussen de abdis van het klooster Grafenthal en Arnoldus Praet over de goederen in Overasselt. geschonken door Richoldus.Het bewaarde zegel van Willem draagt het randschrift: + S. WILLEM [DE BROEICHVS' MILITIS. Van dit zegel zijn vijfatdrukken bekend. daterend uit de periode 1270 tot 1286

Deze Willem van Broeckhuysen (vermeld 1270-1290) wordt in het algemeen gezien — zonder dat daar een bewijs voor gegeven wordt — als de stamvader van de Heren van Broekhuizen. Of deze visie juist is, kan helaas niet worden aangetoond via het bezit van het kasteel Broekhuizen. Het huis wordt immers pas in 1434 voor het eerst genoemd. Het bewijs is te vinden op een plaats, waar men dat niet verwacht, namelijk bij de lang verdwenen hof Ten Eyken, gelegen te Broekhuizen. Als een rode draad loopt het bezit van deze hof door de geschiedenis van de bezitters van de heerlijkheid Broekhuizen. Dit blijkt onder andere uit een oorkonde van 19 september 1284 en een latere belening in 1368. Op eerstgenoemde datum kreeg Willem van Broeckhuysen van de graaf van Kleef een som van 60 Mark. waarvoor hij zijn allodiaal goed, de hof Ten Eyken, aan de graaf opdroeg en daarna als leengoed terug ontving. Kortom Willem van Broeckhuysen ging destijds een leenverhouding aan met de graaf van Kleef. Over de ligging van de genoemde hof wordt in de akte van 1284 niet gesproken. Uit latere gegevens blijkt, dat deze behoorde tot de bezittingen van de Heren van de heerlijkheid Broekhuizen. Pas in een leenakte uit 1368 van Johan, heer van Broekhuizen, wordt duidelijk dat de hof Ten Eyken in de heerlijkheid Broekhuizen gelegen was. Uit de tussenliggende periode bevinden zich geen leenakten met betrekking tot de genoemde hof in de Kleefse leenregisters.

Willem van Broeckhuysen behoorde tot de vertrouwelingen van graaf Reinald I van Gelre, toen laatstgenoemde in 1286 trouwde met Margaretha, dochter van Gwijde, graaf van Vlaanderen. Willem was één van de vele borgen bij de opstelling van de huwelijkse voorwaarden en toewijzing van de huwelijksgoederen. Tijdens de Limburgse successieoorlog (1283-1288) verloor Reinald, graaf van Gelder, op 5 juni 1288 de slag van Wörringen (Woerringen) in Duitsland. In de bestaande literatuur is men van mening, dat Willem van Broeckhuysen tijdens de slag van Wörringen aan Gelderse zijde heeft meegevochten. Doch zijn naam ontbreekt in de bekende Rijmkroniek van Jan van Heelu. Of Willem destijds fysiek nog in Staat was mee te vechten, blijft een vraag, maar bij de afwikkeling van de gevolgen van deze slag is hij wel van de partij. Reinald, graaf van Gelre raakte in gevangenschap van de overwinnaar, de hertog van Brabant. Na langdurig onderhandelen deed de Gelderse graaf in 1289 afstand van de Limburgse erfenis. Hij kwam vrij, maar de schuldenlast ten gevolge van deze oorlog was groot. Reinald zag zich genoodzaakt zijn graafschappen Gelder, Zutphen en Kessel in februari 1290 voor de duur van vijf jaar aan zijn schoonvader Gwijde, graaf van Vlaanderen, te verpanden. Ook hier is Willem van Broeckhuysen aanwezig. Hij wordt dan vermeld als Wilhelmus, dominus de Bruchusen.

Wat de betiteling 'dominus' betreft; in algemene zin wordt aangenomen dat degene, die zo genoemd wordt een heer was van de desbetreffende heerlijkheid. Uit de Gelderse leenakte van 1402 blijkt, dat dc heren van Broekhuizen de hoge heerlijkheid aldaar bezaten. Willem, heer van Broekhuizen, had een complex van heerlijke rechten, waarvan de jurisdictie ofwel rechtspraak over Broekhuizen de voornaamste was. Wanneer een heer de jurisdictie had in criminele zaken, die met een lijfstraf of zelfs met de doodstraf konden worden berecht, sprak men van een hoge heerlijkheid. Een lage heerlijkheid daarentegen bevatte de berechting van overtredingen, die slechts met een boete werden afgedaan. De opvolgers van Willem van Broeckhuysen in rechte lijn waren tot 1402 heren van de hoge heerlijkheid Broekhuizen. Willem (1270-1290) is de eerste, die uitdrukkelijk als heer van Broekhuizen wordt vermeld. Het dertiende eeuwse oorkondenmateriaal is ontoereikend om te bepalen of ook zijn voorouders over de heerlijke rechten van Broekhuizen beschikten.

Johan van Broeckhuysen senior 1314-1321
Na die tijd, en wel voor 1314, moet de heerlijkheid Broekhuizen in handen zijn geraakt van Johan van Broeckhuysen, die zich in 1314, maar voor 25 maart 1319, Johan senior laat noemen. Beiden worden als vader en zoon genoemd in 1314. In 1319 heeft zijn gelijknamige zoon de meerderjarige leeftijd bereikt en zegelt hij met het volle Broeckhuysense wapen. Het omschrift van zijn zegel luidt: + S.lOH. D. BRVCHVSE IVNIOR.22
Vader en zoon zijn beiden aanwezig als Arnold, voogd van Straelen, zijn bezittingen te Well, waaronder de heerlijke rechten aldaar, op 6 juli 1320 verkoopt aan Zeger van Baarle. Zowel in de oorkonde als in het randschrift van de zegels komt duidelijk tot uitdrukking, dat het om vader én zoon gaat. Zij worden immers omschreven als 'senior Iohannes dominus de Bruchusen eiusque filius Iohannes', terwijl het randschrift van het zegel van vader de tekst bevat: + S(igillum) IONIS' DE BRVECHVSEN SENIOR.» Opmerkelijk is de ontwikkeling van het aantal hermelijnstaafljes in het schildhoofd. De oude Willem van Broeckhuysen uit de eeuw daarvoor voerde maar liefst dertien hermelijnstaartjes, terwijl zijn opvolgers Johan senior en Johan junior beiden slechts vijf (3:2) hermelijnstaartjes hadden. Op dit moment is hiervoor geen verklaring te vinden. Precies een jaar later en wel op 6 juli 1321 droeg Seger van Broeckhuysen zijn vrij goed genaamd 'ther Gonne' ofwel De Gun onder Swolgen met 20 morgen akkerland in leen op aan de Heer van Heinsberg. Op verzoek van Seger zegelde zijn broer Johan, heer van Broekhuizen, mede de oorkonde. Naast de juridische kant van deze zaak is voor ons belangrijk, dat de zegels van beide broers vrijwel puntgaaf bewaard zijn gebleven. De genoemde Seger wordt in het algemeen gezien als de stamvader van de familietak Van Broeckhuysen, die zich in de vijftiende eeuw van de toevoeging “genaamd Ooijen“ voorziet. In tegenstelling tot zijn broer Johan voerde Seger in het schildhoofd van zijn zegel 3:2 hermelijnstaartjes en in het heraldisch vrijkwartier een gaande leeuw. Doch het zegel van Segers broer Johan is in 1321 identiek aan het zegel van Johan senior uit 1320.

Johan van Broeckhuysen senior is de vader van Johan junior en Willem en vermoedelijk ook van Elisabeth, die genoemd wordt in het testament uit 1328 van Sophia van Mechelen, gravin van Gelder. Willem van Broeckhuysen, de tweede zoon, is de stamvader van de linie Broekhuizen-Wickrath, genoemd naar de heerlijkheid Wickrath, ook wel Wickerode/Wickrade geheten, in de Kreis Grevenbroich gelegen in de buurt van Mônchengladbach.

Johan van Broeckhuysen junior 1314-1343
Onopgelost blijft vooralsnog op welke wijze bovengenoemde Johan rond 1322 het ambtmanschap van Rheinberg van de aartsbisschop Van Keulen verwierf. Of dit iets te maken had met zijn huwelijk met de erfdochter Sophia van de vrije heerlijkheid en het huis Loo (Loe), gelegen bij Alpen, is evenmin duidelijk.
Op 1 maart 1333 behoorde Johan junior tot de getuigen bij het sluiten van de huwelijksvoorwaarden tussen Gerard, oudste zoon van Willem de graaf van Gulik, met Margaretha, oudste dochter van Reinald II, graaf van Gelder. Daarbij voerde "heren Jhan van Brochusen' een nieuw zegel met daarin het randschrift: + S IANNES D' BROECHVSEN MIL +. Het wapen wijkt geheel af van het normale Broeckhuysense wapen, want midden in het schildhoofd staat een helm met een helmteken in een vlucht, dat aan weerszijde omgeven is met zeven hermelijnstaartjes.
Johan en Sophia zijn voor 1338 gehuwd, want in laatstgenoemd jaar kreeg hun dochter Sophia van Broeckhuysen bij haar intrede in het klooster van Grafenthal een jaarrente mee uit de goederen van de hof Grotendonck, gelegen onder Winnekendonck. Er is niet veel over Johan junior bekend. Hij komt slechts sporadisch in de archieven voor. Hij volgde zijn vader Johan senior op als Heer van Broekhuizen. Samen met zijn broer Willem behoorde hij in 1335 tot de getuigen toen Reinald, graaf van Gelder, sedert 1339 hertog van Gelder, zijn testament maakte.
Voordat Venlo zich vanaf I september 1343 stad kon laten noemen, kocht de hertog een oroot deel van de sterk versnipperde heerlijke rechten. Zo verwierf hij ook het deel van 'heren Jhans van Broechusen'. Volgens Janssen de Limpens bestonden deze rechten hoogstens uit bepaalde laat- of cijnsgoederen binnen het toenmalige kerspel Venlo.31 Toch moeten dit belangrijke rechten zijn geweest, wanneer ze een eventuele verlening van stadsrechten in de weg konden staan. Zoals we later nog zullen zien, heeft de familie Van Broeckhuysen in 1343 niet al haar rechten in Venlo aan de hertog verkocht.

 

Johan van Broeckhuysen de Jonge 1354-1379

Een van de weinige akten, waarin Sophia van Loe wordt genoemd dateert uit 1364, wanneer zij als weduwe van Johan een rente van 20 gulden uit de tol van Rheinberg aan de aartsbisschop van Keulen betaalt. Johan junior moet overleden zijn voor 1354, want zijn gelijknamige zoon Johan de jonge zegelt op 19 april 1354 als “heirre zu Bruychusen” met een ander wapen. Ook verwierf Johan de jonge de functie van ambtman van Rheinberg, welke functie zijn vader reeds in 1322 had. Op 7 juli 1361 was Johan, heer van Broekhuizen, eveneens in functie als ambtman in dienst van de aartsbisschop van Keulen.
De functie was op zich weliswaar niet erfelijk, maar in de praktijk hadden de meeste ambtmannen bijna de vrije beschikking over hun ambt. Opmerkelijk is het feit, dat het zegel van Johan de Jonge van 19 april 1354 identiek is aan het zegel, dat bijvoorbeeld aan een oorkonde uit het jaar 1371 hangt.35 Bovendien zijn er verschillende zegelafdrukken bekend. Daarnaast wordt Johan telkens als Heer van Broekhuizen vermeld. Zodoende kunnen we concluderen, dat hij zijn vader v66r 19 april 1354 moet zijn opgevolgd.

Het zegel van Johan de jonge draagt een randschrift met de tekst: + S' DMI' IHOIS' D BRUECHUSE'. Johan de jonge trouwde voor 5 maart 1368 met ene Lijsbeth (Elisabeth), waarvan de achternaam onbekend is. Gezamenlijk verkochten zij in 1368 aan Arnt Vincken (Vinck), stammende uit een Venlose schepenfamilie, het goed met behuizing, schuren, poorten, coelgarden, tijnsene en jaarrente, molen met waterkeringen, sluizen en de visserij gelegen bij 'heren hoeve des hertogen van Gelren' te Venlo.

In het jaar 1368 en 1379 werd Johan door de graaf van Kleef beleend met zowel de heerlijkhdd Wallach, gelegen bij Alpen aan de Rijn in de buurt van Xanten, alsook met de hof Ten Eyken te Broekhuizen en de molen aldaar. 37 Uit deze belening blijkt, dat er een familierelatie bestaat tussen Johan de Jonge en de Oude Willem van Broeckhuysen, die als eerste in 1284 met dezelfde hof werd beleend.

Johan de Jonge kwam v66r 31 augustus 1381 te overlijden. Hij was de vader van Willem en Johan. De jongste zoon, opnieuw Johan geheten, is de stamvader van de zogenaamde linie Ter Binnen, genoemd naar een grote hof gelegen voor het kasteel Ter Horst te Horst, die verderop behandeld zal worden in Hoofdstuk IV en waar de langstlevende tak uit stamt.


Willem van Broeckhuysen 1381-1415

De oorkonde van 31 augustus 1381, waarin vermeld staat dat Willems grootmoeder Sophia van Loe nog in leven was, mag niet onbesproken blijven.39 Er is sprake van dat Willems vader, Johan de Jonge, zijn goed en heerlijkheid Wallach kwijt was geraakt aan Bernt van Egher, kanunnik te Luik. Johan de Jonge moet deze rechten kort na zijn belening in 1379 aan Bernt van Egher, wellicht noodgedwongen, hebben overgedragen.40

Vanwege bijzondere vriendschap gaf Bernt op 31 augustus 1381 spontaan te kennen, dat hij zijn verworven rechten in de heerlijkheid Wallach aan Johans zoon Willem, heer van Broekhuizen, zou geven. Uitdrukkelijk wordt hierbij gezegd, dat ”dy vrou van Loë” haar leven lang een bepaalde rente zou blijven genieten. Wellicht heeft dit nog iets te maken met de huwelijkse voorwaarden tussen Sophia van Loo en Johan junior.

Willem van Broeckhuysen moet tijdens het leven van zijn vader vrij zelfstandig zijn geweest, want op 8 december 1374 werd hij voor twaalfhonderd schilden pandheer van “die heirlicheit van Spralant inde van Oestrom” te Oostrum onder Venray.41 De pandgever, Daniël van Apeltern, zou dit pandschap volgens afspraak binnen elf jaar aflossen, maar aan de nakoming van die afspraak dient, gelet op de bronnen van na 1374, te worden getwijfeld. Op verzoek van Daniël wordt op 4 oktober 1375 ridder Willem van Broeckhuysen door de leenheer, Willem hertog van Gulik en Gelder, met de pandgoederen beleend. Dit laatste is zeker niet gebruikelijk bij een normale geldlening. Toch duurt het nog tot 21 februari 1384 voor Daniël van Apeltern afziet van zijn rechten in Oostrum. Hij verkoopt op die dag aan Willem, inmiddels heer van Broekhuizen, voor 2.600 Oude schilden 'onsse alinghe herlicheidt van Spralandt ende van Oestrom'. Het wekt bevreemding, dat de burcht Spralandt niet in de overeenkomst genoemd wordt, maar deze kan natuurlijk onder de woorden 'allet dat tot dier heerlicheydt tobehoeren yss' vallen.

Willem was een aanzienlijk en gefortuneerd edelman. Als oudste zoon erfde hij de heerlijkheid Broekhuizen. Van zijn grootmoeder, Sophia van Loo, erfde hij het huis en de vrije heerlijkheid Loo gelegen bij Alpen en daarnaast verwierf hij de heerlijkheid Wallach. De lotgevallen van Oostrum en Spraland zijn hiervoor reeds genoemd. Waarschijnlijk heeft hij op deze wijze ook huis en heerlijkheid Geysteren en de heerlijkheid Oirlo verworven.

Bovendien bezat Willem in verschillende plaatsen tiend- en cijnsrechten, als ook pandrechten, zoals op de Venlose gruit en het huis Grebben onder Grubbenvorst. Willem schijnt ook relaties te hebben gehad met de hertog van Brabant, want in de jaren 1380 tot 1383 kreeg hij diverse bedragen uitgekeerd voor bewezen diensten.


DE VRIJE HEERLIJKHEID BROEKHUIZEN

Op 15 maart 1402 “ontfing her Willem van Broichusen, ridder dat hoigericht tot Bruechusen” Dat de hoge heerlijkheid Broekhuizen niet altijd leenroerig is geweest, blijkt onder andere uit het feit, dat zij niet genoemd wordt in het zogeheten oudste Gelderse leenaktenboek van 1326. Evenmin troffen we een leenverhouding aan met een van de naburige landsheren, zodat kan worden verondersteld dat de heerlijkheid Broekhuizen een allodiale heerlijkheid was. Hiervoor zijn een aantal argumenten gevonden. Ten eerste wordt Willem, heer van Broekhuizen tussen 1377 en 1385 door hertog Willem van Gelre 'onse lieve neve' genoemd. Ten tijde van de hertogen van Gelre uit het Gulikse Huis, namelijk hertog Willem (1377-1402) en Reinald IV (1402-1423), als hertogen van Gelre werd de term 'onsen lieve neve' regelmatig gebezigd. De term werd eveneens door de latere hertog van Gelre uit het Egmondse Huis, te weten hertog Arnold, gebruikt.

De term 'neve' werd zowel gebruikt voor edelvrije personen als voor eigenaren van vrije hoge heerlijkheden. Het moet dan ook als een aanduiding van gelijkwaardigheid ('Ebenbürtigkeit') met de hertog worden gezien. Willem van Broekhuizen heeft naar mijn mening de betiteling 'neve' niet te danken aan zijn afkomst, maar aan het allodiale bezit van de heerlijkheid Broekhuizen. Dit zouden we kunnen afleiden uit het feit dat één van zijn voorouders, met name Seger van Broeckhuysen, die tussen 1228 en 1233 voorkomt, slechts tot de Gelderse ministerialiteit heeft behoord en dat Willem van Broekhuizen na 1385 niet meer, door hertog Willem, 'onsen lieve neve' wordt genoemd. Dit betekent dat Willem van Broeckhuysen tussen 1385 en 1402 zijn allodiale heerlijkheidsrechten over Broekhuizen in leen moet hebben opgedragen aan de hertog van Gelre.

We zien tenslotte, dat de eerste leenverhouding van de hoge heerlijkheid Broekhuizen met de hertog van Gelre pas dateert uit het jaar 1402. Door dit alles zijn we eerder geneigd te denken, dat de afkomst van de familie Van Broeckhuysen niet in de ministerialiteit ligt. Ze heeft zich weten te plaatsen tussen de edelvrije geslachten en de ministerialen, waaraan het erfelijke ambt van erfhofmeester zeker geen afbreuk deed. Wanneer een ministeriaal trouwde met een adellijke vrouw, dan behoorde zowel de man als hun kinderen tot de adel.48 Andersom gold dat niet. De stand vererfde via de vrouw. Een lastige bijkomstigheid vormt het ontbreken van de familienamen van de echtgenoten — op een enkeling na — van de Heren van Broekhuizen. Vandaar dat we voorlopig geen uitspraak kunnen doen omtrent de stand van de voornoemde heren. We weten immers, dat de familie Van Broeckhuysen zich in de 14e eeuw sterk verbreidde in diverse takken en wellicht is het mogelijk, dat dit aspect van de geschiedenis over het hoofd werd gezien.

Het bronnenmateriaal leert dat Willem van Broeckhuysen voordat hij zijn vader in 1381 als Heer van Broekhuizen opvolgde, reeds op 25 november 1377 door de hertog van Gelre werd beleend met het 'erfdroissate ind havemeister ampt'. Bovendien wordt hij in deze akte door de hertog betiteld als 'onsen lieve neve', evenals op 1 december 1378 wanneer hij als getuige optreedt toen de hertog heer Robbrecht van Apeltern, ridder, beleende met 25 goude schilden uit de tol te Nijmegen. Prof. Van Winter is daarentegen van mening, dat Willem van Broeckhuysen slechts in de periode van 1383 tot 1385 als erthofmeester (= erfdrost) van Gelre voorkomt.S1

De hertog gebruikte de term 'onsen lieve neve' in 1377 en 1378 voor diegenen die zelfs nog niet over de hoge heerlijkheidsrechten beschikten. Zoals eerder geschreven weten we, dat Willem van Broeckhuysen reeds in leenverhouding met de hertog stond, vanwege zijn pandschap aan de heerlijkheden Spralandt en Oostrum. Doch de onafhankelijke positie van Willem van Broeckhuysen ten opzichte van de hertog prevaleerde boven de situatie van zijn genoemde pandschap.

Over de functie van ermofmeester blijkt het volgende. Enerzijds bestond het ereambt van erthofmeester, dat vanaf 1339 in bezit was van de heren van Mirlaer (Meerlo) en anderzijds bestond de uitvoerende hoffunctie, waarmee Willem van Broeckhuysen in 1377 werd beleend, terwijl hij op 4 november 1398 met toestemming van de hertog, van verre familie, namelijk van het echtpaar Jacob, heer van Mirlaer, en Johanna van Broeckhuysen het erfelijke ereambt kocht van erfhofmeester van het hertogdom Gelre. Bij diens eedvernieuwing op 21 februari 1402 aan Reinald IV, hertog van Gelre werd Willem door deze hertog 'onsen lieven neve ende rait' genoemd. De akte werd gedateerd 'up sente Peters aevent ad Cathedram'. De leengriffier of toenmalige klerk liet daags na de belening in het originele leenregister de bewoording 'onsen lieve neve' achterwege. Het is de enige keer, dat hertog Reinald hem zo noemde, want nadien komt Willem in de stukken niet meer zo voor, zodat we denken, dat er mogelijk een vergissing in het spel is.

Willem van Broeckhuysen was gehuwd met een erfdochter Agnes, dochter Van Gerard de Cock, heer van Waardenburg, en Henrica van Culemborg. Willem en Agnes zijn v66r 15 november 1385 getrouwd, want op die dag kregen zij van de hertog van Gelder een jaarlijkse rente toegewezen van 70 schilden uit de tol te Nijmegen. In deze akte wordt Willem, heer van Broekhuizen door de hertog eveneens 'onsen lieven neve' genoemd.

Bij het aantreden van een nieuwe leenheer is het gebruikelijk, dat al zijn leenmannen hun leeneed vernieuwen. Op 15 maart 1402 vernieuwde Willem zijn eed aan hertog Reinald IV van Gelder. Hij werd op die dag naast de heerlijkheden Spralant en Oostrum ook beleend met 'dat hoigericht tot Bruechusen'. Vooralsnog is dit de eerste maal, dat er sprake is van een belening van de hoge heerlijkheidsrechten van Broekhuizen door de hertog van Gelre.
Samenvattend kunnen we een paar conclusies trekken uit deze situatie. Ten eerste was de heerlijkheid Broekhuizen tot 1402 een vrije heerlijkheid in het bezit van de gelijknamige familie. In het bronnenmateriaal komt Willem van Broeckhuysen in 1290 de eerste keer voor als 'dominus de Broichusen. In de bestaande literatuur wordt Johan, heer van Broekhuizen, op 1 april 1324 gerekend tot één van de edelen, die als getuigen aanwezig waren, toen Reinald II, zoon van de graaf van Gelre de stad Zutphen beloofde haar oude rechten te handhaven, wanneer hij landsheer geworden was. Bij nader onderzoek blijkt er een origineel charter te Zutphen voorhanden te zijn en uit dit stuk blijkt, dat ' heren Johans here van Bruychusen' behoorde tot één van Reinalds raden ('onses rades') in plaats van 'Edelre lude'.S8 Het gemis van de heerlijkheid Broekhuizen in de rekening van Johannis de Brede, in de functie van scholtis van het land van Kessel, die over de boekjaren 1323 tot 1325 liep,S9 alsmede het ontbreken als Gelders leengoed in 1326, verklaart de situatie van vrije heerlijkheid. Hieruit blijkt daarmee duidelijk de onafhankelijke situatie ten opzichte van de landsheerlijkheid Gelre.

Willem van Gulik, hertog van Gelre (1377-1402), noemde Johans kleinzoon Willem van Broeckhuysen vanaf 1377 tot 1385 diverse keren 'onsen lieve neve'. Uit deze betiteling blijkt de gelijkwaardige positie als plaatselijk Heer ten opzichte van de landsheer. Met ander woorden: het beheer van een vrije heerlijkheid, hoe klein dan ook, kwam in alle facetten overeen met het beheer van een landsheerlijkheid.

Een ander verschijnsel is, dat in de veertiende eeuw steeds vaker vrije personen in hertogelijke dienst traden, nadat zij de vrije positie van hun allodiale heerlijkheid hadden prijsgegeven. Het bezit werd dan aan de hertog in leen opgedragen, waarna de juridische eigenaar het als leengoed terug ontving. Door deze gang van zaken raakte de vrije, nu onvrije man sterk verzwakt. De leenman werd min of meer een speelbal van zijn leenheer. Bij verkoop, verpanding of vererving van zijn heerlijkheid diende hij toestemming te vragen en bij het aantreden van een nieuwe leenheer moest hij die opnieuw hulde brengen met de daarbij komende kosten van het heergewaad.

Dit gebeurde precies eender bij Broekhuizen. Willem, heer van Broekhuizen stond in 1386 als ambtman te Gelre te boek.61 Maar de leenverhouding van de vrije heerlijkheid Broekhuizen is pas vanaf 1402 een feit. Deze leenverhouding met Gelre had verstrekkende gevolgen voor de heer van Broekhuizen. Vanaf de opdraging aan Gelre verloor Willem, heer van Broekhuizen, zijn zelfstandige juridische positie ten opzichte van de hertog. Willem moet zijn voormalige allodiale heerlijkheid tenminste vanaf 15 november 1385 opgedragen hebben, toen hij door hertog Willem van Gelre voor zover bekend voor de laatste maal, 'onsen lieve neve' werd genoemd.

In ieder geval staat vast, dat dit geschied moet zijn tussen 1385 en 1402, waarbij we de akte betreffende Willems functie als ambtman tot Gelre niet uit het oog moeten verliezen. Al is voorlopig de exacte reden van het opdragen niet geheel bekend, toch gaan de gedachten uit naar de genoemde indiensttreding van Willem, heer van Broekhuizen, in 1386 als ambtman van Gelre.

Dichter en heraut Claes Heynenzoon, alias heraut Gelre, vervaardigde omstreeks 1385 een fraai wapenboek. Het bevat ruim 1700 familiewapens, afkomstig uit heel Europa en een aantal ere-redes, waaronder lofgedichten over veelal overledene personen, uit die tijd. Op het gebied van de heraldiek vormt dit veertiende-eeuwse handschrift één van de mooiste wapenboeken uit zijn tijd. Prachtig in kleur heeft hij de wapens weergegeven. De heraut Gelre wordt aangeduid als “coninc van den wapenen der Ruyeren”. Voor ons waren de daarin opgenomen Gelderse wapens van belang, met de vraag: Komt het familiewapen van de Heer van Broekhuizen in dit boek voor? De Gelderse edelen, ministerialen en lagere dienstlieden werden gegroepeerd volgens de toenmalige stand en rang onder de landsheer. Na de bannerheren oftewel de edelen, te weten jonkers van den Berge, Van Moers, Van Bronkhorst, Van Van Gennep, Van Baer, Van Batenburg, Van Borkelo, Van Culemborg, Van Voorst en Van Buren (de familietak uit de Betuwe) komen Willem, heer van Broekhuizen en Gerard de Cock, heer van Waardenburg als eersten van hun stand in dit Gelders wapenboek voor, nadien worden pas de wapens van de Gelderse ministerialen opgenomen.


Schema oudste Van Broeckhuysen's

Generatie 1

I. Seger van Broeckhuysen vermeld 1228-1268, ridder

Generatie 2

II. Johan van Broeckhuysen vermeld 1246-1250, ridder.

Kinderen van Johan:

  1. Willem van Broeckhuysen volgt IIIa.

  2. Johan van Broeckhuysen volgt IIIb.

Generatie 3

IIIa. Willem van Broeckhuysen vermeld 1270-1290, ridder en heer van Broekhuizen.

Kinderen van Willem:

  1. Johan van Broeckhuysen volgt IVa.

  2. Seger van Broeckhuysen volgt IVb.

IIIb. Seger van Broeckhuysen alias van Swalmen, vermeld 1271-1286, ridder en eerste heer van Swalmen.

Kinderen van Seger:

  1. Vosken van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1286-1295.

  2. Willem van Broeckhuysen van Swalmen volgt IVc.

  3. Henricus van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1294/95,

  4. dochter, trouwde met Johan van Kessel.

  5. Eisabeth van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1292-1341 en abdis.

Generatie 4

IVa. Johan van Broeckhuysen (senior) vermeld 1314-1321, heer van Broekhuizen.

Kinderen van Johan:

  1. Johan van Broeckhuysen junior, volgt Va.

  2. Willem van Broeckhuysen volgt Vb.

  3. Elisabeth van Broeckhuysen vermeld 1328.

IVb. Seger I van Broeckhuysen van Ooijen (senior) vermeld 1311-1338. Beleend met de Gun te Swolgen in 1321.

Kind van Seger:

  1. Seger II van Broeckhuysen van Ooijen junior, volgt Vc.

IVc. Willem van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1294-1332.

Kinderen van Willem:

  1. Seger Vosken van Broeckhuysen van Swalmen volgt Vd.

  2. Fritzwindis van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1341/42 en abdis.

  3. Stephanus van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1331

  4. Willem van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1343-1367 en geestelijke.

Generatie 5

Va. Johan van Broeckhuysen (junior) vermeld 1314-1354, trouwde Sophia van Loe. Van hem stamt de langstlevende linie De hof ter Binnen te Horst af, die in 1887 in wettelijke lijn uitstierf.

Uit dit huwelijk:

  1. Johan van Broeckhuysen volgt VIa.

Vb. Willem van Broeckhuysen vermeld 1326-1362, kreeg Hof van Baerle in leen 1326, eerste heer van Wickrade in 1338, trouwde met Mechteld van Meer/Alfrade van Eyngelsdorp, dochter van ridder Gerardt van Eyngeldorp. Stichter van de linie Wickrade, die in wettelijke lijn uitstierf in 1427/28.

Uit deze huwelijken:

  1. Johan van Broeckhuysen van Wickrade vermeld 1352-1375, heer van Wickrade 1364-1375, trouwde met Elisabeth van Engelsdorp.

  2. Heinrich van Broeckhuysen van Wickrade volgt VIb.

  3. Seger van Broeckhuysen vermeld 1371.

Vc. Seger II van Broeckhuysen van Ooijen vermeld 1338-1359. Hieruit de linie van Ooijen die uitstierf kort na 1649.

Uit dit huwelijk:

  1. Seger III van Broeckhuysen van Ooijen volgt VIc.

  2. Johan van Broeckhuysen van Ooijen volgt VId.

Vd. Seger Vosken van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1313-1347. Hieruit de linie Van Swalmen, die vermoedelijk nog enige tijd heeft voortbestaan in Roermond en uitgestorven is.

Uit dit huwelijk:

  1. Vosken van Broeckhuysen van Swalmen pastoor te Swalmen.

  2. Gerard Vosken van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1326-1368, trouwde met Guda van Elmpt.

  3. Werner Vosken van Broeckhuysen van Swalmen volgt VIe.

  4. Robijn van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1358-1381, kannunik te Maastricht.

  5. Guda van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1341-1378, trouwde 1. met Gerhard von Heppendorf en 2. met Jacob van Mirlaer (vermeld 1337-1373, in welk jaar hij overleed).

  6. Bela van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1354-1380 abdis.

Generatie 6

VIa. Johan van Broeckhuysen vermeld tot 1379, overleden 1380/1381, trouwde met Lysbeth van Buderich.

Uit dit huwelijk:

  1. Willem van Broeckhuysen heer van Broekhuizen, trouwde met Agnes van Waardenburg, dochter van Gerard de Cock van Waardenburg en Henrica van Culemborg.

  2. Jan van Broeckhuysen vermeld 1394-1424, hieruit de linie Binnen.

VIb. Heinrich van Broeckhuysen van Wickrade vermeld 1351-1397, heer van Wickrade vanaf 1375, trouwde met Christine van Monumento.

Uit dit huwelijk:

  1. Johan van Broeckhuysen van Wickrade vermeld 1382-1454, overleden 1454, heer van Wickrade, ambtman Kriekenbeck en Erkelenz, erfkamerheer van de hertog, trouwde 1. met Aleidis van Merode en trouwde 2. met Margaretha van Gymmenich. Uit de huwelijken geen kinderen, wel 2 bastaarden: Johan en Dirk van Broeckhuysen.

  2. Dirk van Broeckhuysen van Wickrade (Dederich) vermeld 1392-1418, overleden 1427/1428, trouwde met Mechtild van Schoonvorst.

VIc. Seger III van Broeckhuysen van Ooijen vermeld 1375-1396, heer van Ooijen.

Uit dit huwelijk:

  1. Seger IV van Broeckhuysen van Ooijen

  2. Stijne van Broeckhuysen van Ooijen

  3. Jan van Broeckhuysen van Ooijen

  4. Griet van Broeckhuysen van Ooijen

  5. Aleid van Broeckhuysen van Ooijen

  6. Gijsken van Broeckhuysen van Ooijen

  7. Michiel van Broeckhuysen van Ooijen

  8. Maes van Broeckhuysen van Ooijen (Thomas) trouwde met Agnes van Eyll.

VId. Johan van Broeckhuysen van Ooijen (ook bijgenaamd Johan van der Gunnen) vermeld 1359-1384, heer van de Gun en half Ter Horst, trouwde met Diderich.

Uit dit huwelijk:

  1. Johan van Broeckhuysen van Ooijen trouwde met Goda van Eyll.

  2. Elisabeth van Broeckhuysen van Ooijen trouwde met Sibert van Blittterswijck.

  3. Margriet van Broeckhuysen van Ooijen

  4. Hendrik van Broeckhuysen van Ooijen

  5. Johanna van Broeckhuysen van Ooijen trouwde met Jacob van Mirlaer.

VIe. Werner Vosken van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1337-1380, overleden in 1379, trouwde Bela van Geilenkirchen. In 1370 schonk hertog Eduard van Gelre een tiende in Vlodrop aan de kapel genaamd Betlehem te Roermond onder voorwaarde dat Werner van Swalmen, als hospitaalridder in deze kapel, de tienden van hem in leen zou houden, evenals degenen die na hem hospitaalridder zouden zijn. Hij was in 1369 gezant voor Hertog Eduard naar de Engelse koning Edward. Het wapen van Werner van Swalmen staat vermeld in de Codex Gelre: een gedeeld schild met boven elf zwarte hermelijnstaarten op een wit veld, gerangschikt in twee rijen, zes respectievelijk vijf naast elkaar, met daarover een rode barensteel met vier pendanten. Het grotere, onderste deel van het schild is egaal groen. Als helmteken voerde Werner een wit suikerbrood bezaaid met zwarte hermelijnstaarten.

Uit dit huwelijk:

  1. Seger van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1358-1407, trouwde Arnoldina van Isendoorn. Seger werd door aankoop of door dit huwelijk eigenaar van Burg Laurenzberg, naar hem ook wel Siegersberg en Schwalmersberg genoemd. Hieruit een dochter Fulsigina (Fulsgin) die op 30 september 1422 trouwde met Johan van Palland, waarbij zij het huis Laurenzberg bij Eschweiler in het huwelijk bracht.

  2. Gerard van Broeckhuysen van Swalmen vermeld 1404.