Het Land van Kessel


De dorpen lagen in het Graafschap Kessel, dat in 1279 aan de graaf van Gelre verkocht werd en daarmee Gelders gebied werd. Het werd genoemd Opper-Gelre omdat het stroomopwaarts lag, maar het werd ook het Gelders Overkwartier genoemd. Overigens komt het dorp Broekhuizen pas later formeel in 1402 in Gelders gebied (land van Kessel) te liggen.
De Hertog van Gelre droeg zijn bevoegdheid via het verdrag van Venlo gedwongen over aan de Spaanse Koning Karl V in 1543. Nog later in 1715 kwam heel Noord-Limburg m.u.v. van Venlo aan de Pruisische koning en deze voerde sindsdien de titel Hertog van Gelre.

De voormalige gemeente Broekhuizen bestond uit 3 heerlijkheden, Broekhuizen, Broekhuizenvorst en Ooijen.
Een heerlijkheid omvatte een geheel van rechten en domeingoederen die door de vorst of landsheer aan vazallen in leen werden gegeven. Deze rechten waren tijd- en plaatsgebonden. Vaak omvatten ze het recht op diensten, op jacht en visvangst, het verplicht gebruik van de molen van de heer, het recht op tolheffing enz. Het belangrijkste was echter het recht van rechtspraak: het vervolgen van strafbare feiten, een deel van de opbrengst van de opgelegde boetes en het voorzitten van de terechtzittingen van de schepenbank. In praktijk liet de heer zich meestal door een schout of scholtis bij de schepenbank vertegenwoordigen.

De heerlijkheid Broekhuizen had een schepenbank die in ieder geval vanaf 2 maart 1461 bestond en de heer van het dorp (Willem van Broeckhuysen) wordt in 1402 genoemd wanneer hij zijn eigen heerlijkheid voor het eerst in leen opdraagt aan de Hertog van Gelre. De naam komt echter al in 1228 als familienaam voor (ridder Seger van Broeckhuysen) en het duidt erop dat het dorp toen al bestond onder die naam. Het was een eigen hoge heerlijkheid, waarbij men Heer van Broekhuizen was.

De heerlijkheid Broekhuizenvorst zelf vormde vroeger (met zekerheid vanaf 1424) bestuurlijk één geheel met Swolgen en had een gezamenlijke schepenbank die onder voorzitterschap stond van de ambtsman van Kessel. De Spaanse koning die tevens de heerlijkheid hier bezat, verkocht deze in 1655 wegens geldproblemen aan de Staten van Gelre, die het op hun beurt weer verkochten aan Francois Guillaume de Fleming in 1673; zijn zoon verkocht die van Broekhuizenvorst in 1727 aan Hendrik Ignatius Schenk van Nydeggen. In 1771 werd de schepenbank met Ooijen samengevoegd (waar het kerkelijk ook al één geheel mee vormde).

De heerlijkheid Ooijen (oude naam Oen) was
tot de tweede helft van de zestiende eeuw in bezit van de  leden van het geslacht Van Broeckhuysen genaamd Ooijen.

De heren bezaten in Ooijen net zoals dat in de meeste van deze plaatsen het geval was de hoge rechtspraak. Omstreeks 1375 was Seger III van Broeckhuysen vermoedelijk de eerste heer van Ooijen. De oudste zoon Seger IV zou het huis en de heerlijkheid met alle mannen en lenen hebben gekregen. In het leenaktenboek van Gelre is tijdens zijn leven pas voor het eerst sprake van de heerlijkheid Ooijen. Sinds 1433, reeds na het overlijden van Seger IV, wordt de heerlijkheid verheven als een afzonderlijk leen van de hertogen van Gelre. Dit gebeurde echter volgens het Cuijckse leenrecht.

Opheffing Heerlijkheden
In 1798 werden de heerlijke rechten en schepenbanken door de Fransen, als nieuwe machthebbers hier,  afgeschaft en vervangen door die van de bestuursvorm "gemeente". Bij de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden (1814) werden Broekhuizen, Broekhuizenvorst en Ooijen hiervan onderdeel. Bij de Belgische onafhankelijkheidsstrijd (1830) koos dit gebied echter voor aansluiting met België en kwam het bij het vredesverdrag van Londen in 1839 bij de Duitse Bond (met de Koning van Nederland als Hertog van Limburg), waar in 1866 uit werd gestapt. Sinds die tijd zijn ze definitief in Nederland gelegen.