Kasteel Broekhuizen
       Foto's en Geschiedenis
Bron:RCE
Kadastrale Kaart 1821
Geschiedenis Deel I
Door M. Flokstra

De Kasteelheren van Broekhuizen

In 1339 werd graaf Reinoud II van Gelder verheven tot hertog, bij welke gelegenheid de Duitse keizer vier hoffunctionarissen benoemde. Willem van Broeckhuysen, heer van Wickrath, kreeg de functie van kamerling, terwijl Jacob, heer van Meerlo, het ambt van hofmeester kreeg. Dit laatstgenoemde ambt verkocht één van zijn nazaten als heer van Meerlo in 1398 aan Willem van Broeckhuysen, heer van Broekhuizen. Beide hoffuncties waren erfelijk. Diverse leden van deze uitgebreide familie waren raadsleden van de Gelderse hertogen en/of bekleedden de functie van ambtman, ook wel drost genoemd, van bijvoorbeeld het ambt Kessel, het ambt Kriekenbeck, het ambt Gelre en het ambt Goch. Aan de hand van de genealogische stamreeks wordt de erfopvolging van de heren in de heerlijkheid Broekhuizen vastgesteld, waarbij de zegelkunde een grote rol in de bewijsvoering speelt.


Uitgangspunt voor de genealogische reconstructie van de familie Van Broeckhuysen in de dertiende eeuw vormt een aantal oorkonden uit de periode van 1228 tot 1290. In de eerste oorkonde, gedateerd 1228, komt een Seger van Broeckhuysen voor. De graaf van Gelre schonk toen aan de abdij Kamp de vrijheid van tol bij Lobith. Op 12 mei 1233 treffen we deze Seger weer aan onder de getuigen bij een overeenkomst tussen Otto graaf van Gelder en het kapittel van Emmerik.
Nadien komt een zekere Johan van Broeckhuysen als getuige voor in 1246 bij de schenking door de heer van Cuyk van het patronaatsrecht van de parochiekerk van Herten aan de Munsterabdij te Roermond. Dit was ook het geval in 1250, toen Graaf Otto bepaalde goederen, gelegen in Zoelemond in erfpacht gaf aan het klooster Mariënweerd. Zuiver op grond van de naamgeving en de chronologie zou deze Johan de vader kunnen zijn van Willem en Seger, die in geschreven stukken van circa 1268 tot 1290 voorkomen.

In de dertiende eeuw was de familie Van Broeckhuysen al vertakt in tenminste twee verschillende linies, die beide in bezit waren van heerlijke rechten in wat later het Gelders Overkwartier wordt genoemd. Zo wordt Seger van Broeckhuysen in 1271 genoemd “dominus Seger miles de Swalmen dictus de Bruchusen”. In 1272 hechtte hij zijn zegel aan een oorkonde, waarin de geschillen worden beslecht tussen Goswinus van Borne en de abt van Averbode over inkomsten van die kerk. In deze akte noemt hij zich “Sigerus miles de Swalmen’’, terwijl het randschrift van zijn zegel luidt: “Sigill(um) Sigeri de Broe(chusen) milit(is)”. Hieruit blijkt duidelijk dat de genoemde Seger de stamvader is van de linie te Swalmen uit de familie Van Broeckhuysen. 

Prof. Dr Jkvr. J.M. van Winter rekent de familie Van Broeckhuysen in haar proefschrift uit 1962 tot de Gelderse ministerialiteit. Op basis van het Gelders Oorkondenboek van Sloet meldt zij, dat een zekere Seger van Broeckhuysen in 1231 voor het eerst als getuige voorkomt en dat hij niet uitdrukkelijk als ministerialis vermeld staat. Twee jaar later behoorde Seger daarentegen tot de 'homines et ministeriales' van Gelder.3
Inmiddels zijn er meer akten toegankelijk geworden, waardoor haar stelling onzeker is geworden. Mijn onderzoek is gericht op de bewijsvoering of de familie Van Broeckhuysen van oorsprong tot de Gelderse ministerialiteit behoorde. Een andere vraag is, welke sociale positie de familie Van Broeckhuysen innam ten opzichte van de andere geslachten binnen het Gelderse Overkwartier, of, meer beperkt, binnen het land van Kessel. Ondanks het langdurige onderzoek naar dat laatste kan men hierop geen genuanceerd antwoord geven. Tot nu toe is slechts de familie Van Broeckhuysen onderzocht: over de andere families in de directe omgeving. zoals de families Van Mirlaer, Van Straelen, Van Milien, Van Arendael, Van Blitterswijck, Van der Donck, Van Merwijck en andere kan dit helaas niet gezegd worden. Derhalve gaan mogelijke vergelijkingen tussen deze families op dit moment mank, en zal hierop ook niet verder worden ingegaan.

Over het dorp Broekhuizen, waaraan het geslacht zijn naam ontleende, is uit deze periode nauwelijks iets bekend. Ook is onbekend, hoe groot de dorpskern in de dertiende eeuw was of wanneer er een begin werd gemaakt met de bouw van het kasteel Broekhuizen. De geschiedenis van het huis Broekhuizen begint namelijk op een ander tijdstip dan die van de gelijknamige heerlijkheid. Voor zover we momenteel weten, komt de oudste vermelding van het huis Broekhuizen voor in een akte uit het jaar 1434, terwijl de heren van Broekhuizen al in de dertiende eeuw voorkomen. Het lijkt zeer onwaarschijnlijk, dat het kasteel Broekhuizen pas rond 1434 werd gebouwd. Ook op andere plaatsen komt hetzelfde probleem voor: enerzijds de vroege vermeldingen van de lokale gezaghebbers en anderzijds de late schriftelijke vermeldingen van het kasteel. Dit was bijvoorbeeld ook het geval bij Geysteren, maar uiteindelijk werd het probleem daar opgelost. Prof. dr. J.G.N. Renaud vond bij één van zijn opgravingen in 1958 namelijk de resten van een vroeg dertiende-eeuwse burcht.

Bij de ruïne van Broekhuizen werden daarentegen nog geen archeologische opgravingen verricht, zodat het probleem hier nog steeds onopgelost blijft.

Over de vroege geschiedenis van de heerlijkheid Broekhuizen is betrekkelijk weinig bekend. De Gelderse leenregisters vermelden de heerlijkheid pas vanaf 1402 als een leen van de hertog van Gelder, zodat ook hieruit geen directe informatie over de oudere geschiedenis te verkrijgen is. In deze reconstructie van de familieverhoudingen van de Heren van Broekhuizen zal worden getracht meer licht te werpen op de geschiedenis van de heerlijkheid.

Maar voorzichtigheid blijft nodig! zo droegen bijvoorbeeld drie elkaar opvolgende Heren van Broekhuizen de voornaam Johan. Enkele opmerkingen in charters en de verschillende zegels met varianten van het Broekhuizense wapen — een leeg groen veld met een metalen schildhoofd, beladen met een variërend aantal hermelijnstaartjes — zorgden ervoor, dat de drie Johannen van elkaar onderscheiden konden worden.

Seger van Broeckhuysen 1228-1268
Uitgangspunt voor de genealogische reconstructie van de familie van Broeckhuysen in de dertiende eeuw vormt een aantal oorkonden uit de periode van 1228 tot 1290. In de eerste oorkonde, gedateerd 1228, komt Seger van Broeckhuysen voor. De graaf van Gelre schonk toen aan de abdij Kamp de vrijheid van tol bij Lobith. Op 12 mei 1233 treffen we deze Seger weer aan onder de getuigen bij een overeenkomst tussen Otto graaf van Gelder en het kapittel van Emmerik.

Johan van Broeckhuysen 1246-1250
Nadien komt een zekere Johan van Broeckhuysen als getuige voor in 1246 bij de schenking door de heer van Cuyk van het patronaatsrecht van de parochiekerk van Herten aan de Munsterabdij te Roermond. Dit was ook het geval in 1250, toen Graaf Otto bepaalde goederen, gelegen in Zoelemond in erfpacht gaf aan het klooster Mariënweerd. Zuiver op grond van de naamgeving en de chronologie zou deze Johan de vader kunnen zijn van Willem en Seger, die in geschreven stukken van circa 1268 tot 1290 voorkomen.

 

 

Willem van Broeckhuysen 1270-1290
In een oorkonde van 10 maart 1270 verklaart Willem, 'miles de Brughusen', dat hij tegen een vergoeding van 80 marken Keulse denariën zijn allodium te Venlo, bestaande uit een molen, een cijns, een tol op vervoer met paard en wagen (ook wel kartol genoemd) en voorts een hof te Blerick, genoemd Reiderode, in leen opdraagt aan Willem, graaf van Gulik. Willem van Broeckhuysen was op 19 april 1275 één van de scheidslieden in het geschil tussen de abdis van het klooster Grafenthal en Arnoldus Praet over de goederen in Overasselt geschonken door Richoldus. Het bewaarde zegel van Willem draagt het randschrift: + S. WILLEM [DE BROE]CHVS' MILITIS. Van dit zegel zijn vijfatdrukken bekend. daterend uit de periode 1270 tot 1286.

Deze Willem van Broeckhuysen (vermeld 1270-1290) wordt in het algemeen gezien — zonder dat daar toen een bewijs voor gegeven werd — als de stamvader van de Heren van Broekhuizen. Of deze visie juist is, kan helaas niet worden aangetoond via het bezit van het kasteel Broekhuizen. Het huis wordt immers pas in 1434 voor het eerst genoemd. Het bewijs is te vinden op een plaats, waar men dat niet verwacht, namelijk bij de lang verdwenen hof Ten Eyken, gelegen te Broekhuizen. Als een rode draad loopt het bezit van deze hof door de geschiedenis van de bezitters van de heerlijkheid Broekhuizen. Dit blijkt onder andere uit een oorkonde van 19 september 1284 en een latere belening in 1368. Op eerstgenoemde datum kreeg Willem van Broeckhuysen van de graaf van Kleef een som van 60 Mark. waarvoor hij zijn allodiaal goed, de hof Ten Eyken, aan de graaf opdroeg en daarna als leengoed terug ontving. Kortom. Willem van Broeckhuysen ging destijds een leenverhouding aan met de graaf van Kleef. Over de ligging van de genoemde hof wordt in de akte van 1284 niet gesproken. Uit latere gegevens blijkt, dat deze behoorde tot de bezittingen van de Heren van de heerlijkheid Broekhuizen. Pas in een leenakte uit 1368 van Johan, heer van Broekhuizen, wordt duidelijk dat de hof Ten Eyken in de heerlijkheid Broekhuizen gelegen was. Uit de tussenliggende periode bevinden zich geen leenakten met betrekking tot de genoemde hof in de Kleefse leenregisters.

Willem van Broeckhuysen behoorde tot de vertrouwelingen van graaf Reinald I van Gelre, toen laatstgenoemde in 1286 trouwde met Margaretha, dochter van Gwijde, graaf van Vlaanderen. Willem was één van de vele borgen bij de opstelling van de huwelijkse voorwaarden en toewijzing van de huwelijksgoederen. Tijdens de Limburgse successieoorlog (1283-1288) verloor Reinald, graaf van Gelder, op 5 juni 1288 de slag van Wörringen (Woerringen) in Duitsland. In de bestaande literatuur is men van mening, dat Willem van Broeckhuysen tijdens de slag van Wörringen aan Gelderse zijde heeft meegevochten. Doch zijn naam ontbreekt in de bekende Rijmkroniek van Jan van Heelu. Of Willem destijds fysiek nog in Staat was mee te vechten, blijft een vraag, maar bij de afwikkeling van de gevolgen van deze slag is hij wel van de partij. Reinald, graaf van Gelre raakte in gevangenschap van de overwinnaar, de hertog van Brabant. Na langdurig onderhandelen deed de Gelderse graaf in 1289 afstand van de Limburgse erfenis. Hij kwam vrij, maar de schuldenlast ten gevolge van deze oorlog was groot. Reinald zag zich genoodzaakt zijn graafschappen Gelder, Zutphen en Kessel in februari 1290 voor de duur van vijf jaar aan zijn schoonvader Gwijde, graaf van Vlaanderen, te verpanden. Ook hier is Willem van Broeckhuysen aanwezig. Hij wordt dan vermeld als Wilhelmus, dominus de Bruchusen.

Wat de betiteling 'dominus' betreft; in algemene zin wordt aangenomen dat degene, die zo genoemd wordt een heer was van de desbetreffende heerlijkheid. Uit de Gelderse leenakte van 1402 blijkt, dat dc heren van Broekhuizen de hoge heerlijkheid aldaar bezaten. Willem, heer van Broekhuizen, had een complex van heerlijke rechten, waarvan de jurisdictie ofwel rechtspraak over Broekhuizen de voornaamste was. Wanneer een heer de jurisdictie had in criminele zaken, die met een lijfstraf of zelfs met de doodstraf konden worden berecht, sprak men van een hoge heerlijkheid. Een lage heerlijkheid daarentegen bevatte de berechting van overtredingen, die slechts met een boete werden afgedaan. De opvolgers van Willem van Broeckhuysen in rechte lijn waren tot 1402 heren van de hoge heerlijkheid Broekhuizen. Willem (1270-1290) is de eerste, die uitdrukkelijk als heer van Broekhuizen wordt vermeld. Het dertiende eeuwse oorkondenmateriaal is ontoereikend om te bepalen of ook zijn voorouders over de heerlijke rechten van Broekhuizen beschikten.

Johan van Broeckhuysen senior 1314-1321
Na die tijd, en wel voor 1314, moet de heerlijkheid Broekhuizen in handen zijn geraakt van Johan van Broeckhuysen, die zich in 1314, maar voor 25 maart 1319, Johan senior laat noemen. Beiden worden als vader en zoon genoemd in 1314. In 1319 heeft zijn gelijknamige zoon de meerderjarige leeftijd bereikt en zegelt hij met het volle Broeckhuysense wapen. Het omschrift van zijn zegel luidt: + S.lOH. D. BRVCHVSE IVNIOR.
Vader en zoon zijn beiden aanwezig als Arnold, voogd van Straelen, zijn bezittingen te Well, waaronder de heerlijke rechten aldaar, op 6 juli 1320 verkoopt aan Zeger van Baarle. Zowel in de oorkonde als in het randschrift van de zegels komt duidelijk tot uitdrukking, dat het om vader én zoon gaat. Zij worden immers omschreven als 'senior Iohannes dominus de Bruchusen eiusque filius Iohannes', terwijl het randschrift van het zegel van vader de tekst bevat: + S(igillum) IONIS' DE BRVECHVSEN SENIOR.» Opmerkelijk is de ontwikkeling van het aantal hermelijnstaafljes in het schildhoofd. De oude Willem van Broeckhuysen uit de eeuw daarvoor voerde maar liefst dertien hermelijnstaartjes, terwijl zijn opvolgers Johan senior en Johan junior beiden slechts vijf (3:2) hermelijnstaartjes hadden. Op dit moment is hiervoor geen verklaring te vinden. Precies een jaar later en wel op 6 juli 1321 droeg Seger van Broeckhuysen zijn vrij goed genaamd 'ther Gonne' ofwel De Gun onder Swolgen met 20 morgen akkerland in leen op aan de Heer van Heinsberg. Op verzoek van Seger zegelde zijn broer Johan, heer van Broekhuizen, mede de oorkonde. Naast de juridische kant van deze zaak is voor ons belangrijk, dat de zegels van beide broers vrijwel puntgaaf bewaard zijn gebleven. De genoemde Seger wordt in het algemeen gezien als de stamvader van de familietak Van Broeckhuysen, die zich in de vijftiende eeuw van de toevoeging “genaamd Ooijen“ voorziet. In tegenstelling tot zijn broer Johan voerde Seger in het schildhoofd van zijn zegel 3:2 hermelijnstaartjes en in het heraldisch vrijkwartier een gaande leeuw. Doch het zegel van Segers broer Johan is in 1321 identiek aan het zegel van Johan senior uit 1320.

Johan van Broeckhuysen senior is de vader van Johan junior en Willem en vermoedelijk ook van Elisabeth, die genoemd wordt in het testament uit 1328 van Sophia van Mechelen, gravin van Gelder. Willem van Broeckhuysen, de tweede zoon, is de stamvader van de linie Broekhuizen-Wickrath, genoemd naar de heerlijkheid Wickrath, ook wel Wickerode/Wickrade geheten, in de Kreis Grevenbroich gelegen in de buurt van Mônchengladbach.


Johan van Broeckhuysen junior 1314-1343
Onopgelost blijft vooralsnog op welke wijze bovengenoemde Johan rond 1322 het ambtmanschap van Rheinberg van de aartsbisschop Van Keulen verwierf. Of dit iets te maken had met zijn huwelijk met de erfdochter Sophia van de vrije heerlijkheid en het huis Loo (Loe), gelegen bij Alpen, is evenmin duidelijk.
Op 1 maart 1333 behoorde Johan junior tot de getuigen bij het sluiten van de huwelijksvoorwaarden tussen Gerard, oudste zoon van Willem de graaf van Gulik, met Margaretha, oudste dochter van Reinald II, graaf van Gelder. Daarbij voerde "heren Jhan van Brochusen' een nieuw zegel met daarin het randschrift: + S IANNES D' BROECHVSEN MIL +. Het wapen wijkt geheel af van het normale Broeckhuysense wapen, want midden in het schildhoofd staat een helm met een helmteken in een vlucht, dat aan weerszijde omgeven is met zeven hermelijnstaartjes.
Johan en Sophia zijn voor 1338 gehuwd, want in laatstgenoemd jaar kreeg hun dochter Sophia van Broeckhuysen bij haar intrede in het klooster van Grafenthal een jaarrente mee uit de goederen van de hof Grotendonck, gelegen onder Winnekendonck. Er is niet veel over Johan junior bekend. Hij komt slechts sporadisch in de archieven voor. Hij volgde zijn vader Johan senior op als Heer van Broekhuizen. Samen met zijn broer Willem behoorde hij in 1335 tot de getuigen toen Reinald, graaf van Gelder, sedert 1339 hertog van Gelder, zijn testament maakte.
Voordat Venlo zich vanaf I september 1343 stad kon laten noemen, kocht de hertog een groot deel van de sterk versnipperde heerlijke rechten. Zo verwierf hij ook het deel van 'heren Jhans van Broechusen'. Volgens Janssen de Limpens bestonden deze rechten hoogstens uit bepaalde laat- of cijnsgoederen binnen het toenmalige kerspel Venlo. Toch moeten dit belangrijke rechten zijn geweest, wanneer ze een eventuele verlening van stadsrechten in de weg konden staan. Zoals we later nog zullen zien, heeft de familie Van Broeckhuysen in 1343 niet al haar rechten in Venlo aan de hertog verkocht.

 

Johan van Broeckhuysen de Jonge 1354-1379

Een van de weinige akten, waarin Sophia van Loe wordt genoemd dateert uit 1364, wanneer zij als weduwe van Johan een rente van 20 gulden uit de tol van Rheinberg aan de aartsbisschop van Keulen betaalt. Johan junior moet overleden zijn voor 1354, want zijn gelijknamige zoon Johan de jonge zegelt op 19 april 1354 als “heirre zu Bruychusen” met een ander wapen. Ook verwierf Johan de jonge de functie van ambtman van Rheinberg, welke functie zijn vader reeds in 1322 had. Op 7 juli 1361 was Johan, heer van Broekhuizen, eveneens in functie als ambtman in dienst van de aartsbisschop van Keulen.
De functie was op zich weliswaar niet erfelijk, maar in de praktijk hadden de meeste ambtmannen bijna de vrije beschikking over hun ambt. Opmerkelijk is het feit, dat het zegel van Johan de Jonge van 19 april 1354 identiek is aan het zegel, dat bijvoorbeeld aan een oorkonde uit het jaar 1371 hangt. Bovendien zijn er verschillende zegelafdrukken bekend. Daarnaast wordt Johan telkens als Heer van Broekhuizen vermeld. Zodoende kunnen we concluderen, dat hij zijn vader v66r 19 april 1354 moet zijn opgevolgd.

Het zegel van Johan de jonge draagt een randschrift met de tekst: + S' DMI' IHOIS' D BRUECHUSE'. Johan de jonge trouwde voor 5 maart 1368 met ene Lijsbeth (Elisabeth), waarvan de achternaam onbekend is. Gezamenlijk verkochten zij in 1368 aan Arnt Vincken (Vinck), stammende uit een rijke Venlose schepenfamilie, het goed met behuizing, schuren, poorten, coelgarden, tijnsene en jaarrente, molen met waterkeringen, sluizen en de visserij gelegen bij 'heren hoeve des hertogen van Gelren' te Venlo.

In het jaar 1368 en 1379 werd Johan door de graaf van Kleef beleend met zowel de heerlijkhdd Wallach, gelegen bij Alpen aan de Rijn in de buurt van Xanten, alsook met de hof Ten Eyken te Broekhuizen en de molen aldaar. Uit deze belening blijkt, dat er een familierelatie bestaat tussen Johan de Jonge en de Oude Willem van Broeckhuysen, die als eerste in 1284 met dezelfde hof werd beleend.

Johan de Jonge kwam v66r 31 augustus 1381 te overlijden. Hij was de vader van Willem en Johan. De jongste zoon, opnieuw Johan geheten, is de stamvader van de zogenaamde linie Ter Binnen, genoemd naar een grote hof gelegen voor het kasteel Ter Horst te Horst,   waar de langstlevende tak uit stamt en die uiteindelijk uitstierf in 1887.


Willem van Broeckhuysen 1381-1415

De oorkonde van 31 augustus 1381, waarin vermeld staat dat Willems grootmoeder
Sophia van Loe nog in leven was, mag niet onbesproken blijven. Er is sprake van dat
Willems vader, Johan de Jonge, zijn goed en heerlijkheid Wallach kwijt was geraakt
aan Bernt van Egher, kanunnik te Luik. Johan de Jonge moet deze rechten kort na
zijn belening in 1379 aan Bernt van Egher, wellicht noodgedwongen, hebben
overgedragen.

Vanwege bijzondere vriendschap gaf Bernt op 31 augustus 1381 spontaan te kennen,
dat hij zijn verworven rechten in de heerlijkheid Wallach aan Johans zoon Willem,
heer van Broekhuizen, zou geven. Uitdrukkelijk wordt hierbij gezegd, dat ”dy vrou
van Loë” haar leven lang een bepaalde rente zou blijven genieten. Wellicht heeft dit
nog iets te maken met de huwelijkse voorwaarden tussen Sophia van Loo en Johan
junior.

Willem van Broeckhuysen moet tijdens het leven van zijn vader vrij zelfstandig zijn
geweest, want op 8 december 1374 werd hij voor twaalfhonderd schilden pandheer
van “die heirlicheit van Spralant inde van Oestrom” te Oostrum onder Venray. De
pandgever, Daniël van Apeltern, zou dit pandschap volgens afspraak binnen elf jaar
aflossen, maar aan de nakoming van die afspraak dient, gelet op de bronnen van na 1374, te worden getwijfeld. Op verzoek van Daniël wordt op 4 oktober 1375 ridder Willem van Broeckhuysen (zijn zegel staat hiernaast) door de leenheer, Willem hertog van Gulik en Gelder, met de pandgoederen beleend. Dit laatste is zeker niet gebruikelijk bij een normale geldlening. Toch duurt het nog tot 21 februari 1384 voor Daniël van Apeltern afziet van zijn rechten in Oostrum. Hij verkoopt op die dag aan Willem, inmiddels heer van Broekhuizen, voor 2.600 Oude schilden 'onsse alinghe herlicheidt van Spralandt ende van Oestrom'. Het wekt bevreemding, dat de burcht Spralandt niet in de overeenkomst genoemd wordt, maar deze kan natuurlijk onder de woorden 'allet dat tot dier heerlicheydt tobehoeren yss' vallen.

Willem was een aanzienlijk en gefortuneerd edelman. Als oudste zoon erfde hij de heerlijkheid Broekhuizen. Van zijn grootmoeder, Sophia van Loo, erfde hij het huis en de vrije heerlijkheid Loo gelegen bij Alpen en daarnaast verwierf hij de heerlijkheid Wallach. De lotgevallen van Oostrum en Spraland zijn hiervoor reeds genoemd. Waarschijnlijk heeft hij op deze wijze ook huis en heerlijkheid Geysteren en de heerlijkheid Oirlo verworven.

Bovendien bezat Willem in verschillende plaatsen tiend- en cijnsrechten, als ook pandrechten, zoals op de Venlose gruit en het huis Grebben onder Grubbenvorst. Willem schijnt ook relaties te hebben gehad met de hertog van Brabant, want in de jaren 1380 tot 1383 kreeg hij diverse bedragen uitgekeerd voor bewezen diensten.

Voor bronvermeldingen wordt verwezen naar mijn publicatie "'Middeleeuwse heren van Broekhuizen', in Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, Maastricht, 133, 1997, pagina's 141-190.