Eeuwenlang stond in Ooijen de hoeve "Aen Gen Sandt of Angen Sandt" aan de Blitterswijkseweg 1.

 

​De hof dateert uit de middeleeuwen en was onderworpen aan het leenstelsel volgens Cuycks leenrecht en de naam betekent "aan het zand".

​

Seger van Broeckhuysen werd hiermee beleend op 30 januari 1486, maar was nog geen juridisch eigenaar. Op 2 augustus 1492 werd door de broers Seger VI, Johan, Marten en Jacob van Broeckhuysen deze hof gekocht van de in geldnood verkerende Jan Haegen(s), met uitzondering van een jaarlijkse erfpacht van 4 malder rogge. Dit ten behoeve van de vroegmis in de kerk van Broekhuizenvorst. Circa 1532 erfde zijn broer Marten deze hof. Diens zoon Jacob van Broeckhuysen werd daarmee beleend op 19 juli 1565. Hij transporteerde het op 25 augustus 1571 (tevens de dag van belening) aan zijn broer Herman van Broeckhuysen die was getrouwd met Gertruid Boegell. Die overleed tussen 1599 en 1601 en zijn tweede zoon Johan van Broeckhuysen, getrouwd met Catharina van Mirbach, erfde deze hof en werd beleend op 9 september 1609. De last van 4 malder rogge kon ook op een ander onroerend goed van hem worden overgebracht en dat deed hij op 30 november 1608, waardoor er verder geen lasten meer op rusten. Diens zoon Willem van Broeckhuysen had het maar kort in bezit, namelijk na het overlijden van zijn vader in 1641 tot zijn eigen overlijden op 4 juli 1643. Zijn dochter Joanna Catharina krijgt het dan in leen op 10 juli 1649, waarbij haar moeder Elisabeth van Weedt het vruchtgebruik krijgt. Haar oom Caspar van Weedt treedt dan als leenhulder op. Ze trouwde op 16 oktober 1657 te Broekhuizenvorst met Frederik van Laer en wordt in 1673 voor het laatst vermeld.

NB. In 1538 behoorde éénderde van de heerlijkheid Ooijen bij deze boerderij.

​

In het boenderboek van de heerlijkheid Ooijen staat in 1756 de boerderij als volgt beschreven:
Eigendom van de weduwe van Peter Hermans. Gelegen aan het groote broek tegenover Jacob van Oeijen, voorts neffens den gemeijnen wegh, toebehorende aan Joannes van Bracht (Noot: deze woonde op boerderij Horsser Hof, toen vernoemd als De Hor). Op de hoffstede staat het huijs, schuir, schaapcoije, schop en backhuijs met den boomgardt ende coolhof. Groot 3,37 morgen.

​

Wilhelmus Franciscus Hermans kocht in 1759 deze boerderij en het vererfde aan zijn zoon Peter Hermans en vervolgens aan diens zoon Florus Hermans en toen aan zijn dochter Johanna Mathea Hermans die trouwde met Henricus Hanssen. Hun zoons Peter Johannes en Mathieu Hanssen waren eigenaar van 1874-1928 en daarna Petrus J.J. Hanssen tot 1947.

In 1968 kwam hier een groenteverwerkingsbedrijf en in 1977 brandde de hoeve af. Tegenwoordig staat op deze plaats de diepvriescentrale van Oerlemans (tegenwoordig Lamb Weston).

De boerderij op de kadasterkaart van 1821, waarbij het woonhuis vooraan ligt en de grote schuur in L-vorm daarachter. Naast het huis ligt een schuurtje.